Bestuursrecht in beeld: belangrijke conclusie A-G Hoge Raad over inzet van bestuursrechtelijke toezichtsbevoegdheden bij integrale controles

 27 mei 2026 | Blog | NL Law

Op 12 mei 2026 is een belangrijke conclusie verschenen van Advocaat-Generaal (A-G) Paridaens over de inzet van bestuursrechtelijke toezichtsbevoegdheden bij integrale controles naar aanleiding van signalen over ondermijning. De conclusie gaat in op de vraag in hoeverre bewijs dat verkregen wordt met bestuursrechtelijke toezichtsbevoegdheden gebruikt mag worden in een strafrechtelijke procedure. Uit de conclusie volgen de volgende lessen voor de praktijk:

  • De A-G maakt in de conclusie duidelijk dat de inzet van bestuurlijke toezichtsbevoegdheden bij integrale controles niet snel een strafrechtelijk vormverzuim oplevert
  • De bestuursrechtelijke toezichtsbevoegdheden moeten zorgvuldig begrensd blijven ten opzichte van strafvorderlijke bevoegdheden, zolang voor de inzet van die strafvorderlijke bevoegdheden (nog) geen wettelijke grondslag bestaat
  • Toezichtsbevoegdheden mogen niet worden ingezet als verkapte opsporingsinstrumenten
De casus: integrale controle leidt tot drugslab

De conclusie, gericht aan de Hoge Raad, is geschreven naar aanleiding van een strafrechtelijke vervolging van een verdachte. De zaak vindt haar oorsprong in een integrale controle als reactie op “ondermijnende signalen” in een straat in de gemeente Wijchen. In deze straat werden daarom door een gemeentelijke toezichthouder meerdere panden gecontroleerd op het formeel gebruik van percelen en panden overeenkomstig het bestemmingsplan. De gemeentelijke toezichthouder controleerde samen met een medewerker van een netbeheerder en een politieambtenaar de panden. Artikel 5:15, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht bepaalt immers dat de toezichthouder zich zo nodig de toegang verschaft “met behulp van de sterke arm” (lees: de politie). In het derde lid van artikel 5:15 Awb staat vervolgens dat de toezichthouder “bevoegd is zich te doen vergezellen door personen die daartoe door hem zijn aangewezen”. Ook het bedrijfspand van de verdachte in kwestie werd gecontroleerd. In het bedrijfsgebouw werden attributen aangetroffen voor de productie van drugs en een drugslab. De verdachte werd hiervoor strafrechtelijk vervolgd.

Relevante vragen voor de praktijk

Volgens de verdachte zijn de bestuurlijke toezichtsbevoegdheden misbruikt voor strafrechtelijke doelen en daarmee strafvorderlijke bevoegdheden omzeild. Het aangetroffen bewijs mag daarom niet worden gebruikt. De A-G beantwoordt in zijn conclusie twee relevante vragen voor de praktijk.

  1. Is het optreden van de toezichthouder en de politieambtenaar bij de integrale controle rechtmatig?
  2. Wat zijn de gevolgen voor een vormverzuim bij een integrale controle
1. Gemeentelijk optreden rechtmatig

Het feit dat de aanleiding van de integrale controle was gelegen in de wens om ondermijnende criminaliteit aan te pakken en dat daarbij van begin af aan is samengewerkt met de politie, leidt er volgens de A-G nog niet toe dat de bestuurlijke toezichtsbevoegdheden van de toezichthouder oneigenlijk zijn ingezet voor de opsporing van strafbare feiten. Pas als de bestuurlijke toezichtsbevoegdheden uitsluitend worden toegepast met als uiteindelijk doel opsporen (in de zin van art. 132a Sv) levert dat een vormverzuim op. Dat is een hoge drempel. Volgens de A-G zal daar bij een integrale controle niet snel sprake zijn, omdat bij een integrale controle in de regel ook andere dan strafrechtelijke belangen zijn gediend die de toepassing van toezichtsbevoegdheden op basis van de Algemene wet bestuursrecht rechtvaardigen. Dat was ook het geval in deze uitspraak. De toezichthouder controleerde namelijk op het formeel gebruik van percelen en panden overeenkomstig het bestemmingsplan.

2. Binnentreden door de politie is vormverzuim, maar blijft zonder gevolgen

De A-G volgt het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in zijn beoordeling dat het vormverzuim begaan door de politiefunctionaris, te weten het mee naar binnen lopen van de bedrijfsruimte met de toezichthouder, niet van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek of de vervolging van de verdachte. Volgens de A-G was de toezichthouder bevoegd om het bedrijfsgebouw binnen te treden. In dat geval zou de toezichthouder het drugslab toch hebben ontdekt, zodat de politieambtenaar hooguit enkele momenten eerder op de hoogte is geraakt van het strafbare feit dan in het scenario waarin hij buiten was blijven wachten. Het verzuim was daarmee feitelijk irrelevant voor het bewijs.

Tot slot: lessen voor de praktijk

Artikel 1:6 aanhef en onder a Awb bepaalt dat de hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van die wet niet van toepassing zijn op de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Daartegenover staat artikel 132a Sv dat opsporing definieert als het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen. Wanneer gaan bestuursrechtelijke bevoegdheden over in opsporing? Uit de conclusie volgt dat de inzet van bestuursrechtelijke toezichtsbevoegdheden bij integrale controles niet snel resulteert in een strafrechtelijk vormverzuim. Wel moeten de bestuursrechtelijke bevoegdheden zorgvuldig begrensd blijven ten opzichte van strafvorderlijke bevoegdheden, zolang voor de inzet van die strafvorderlijke bevoegdheden (nog) geen wettelijke grondslag bestaat. Toezichtsbevoegdheden mogen namelijk niet worden ingezet als verkapte opsporingsinstrumenten. Toch resulteert een strafrechtelijk vormverzuim niet zonder meer in bewijsuitsluiting. Zelfs bij een fout moeten er nadelige gevolgen zijn voor de verdachte.

Het arrest van de Hoge Raad wordt verwacht op 7 juli.

Bestuursrecht in beeld is onze maandelijkse blogreeks waarin wij actuele thema’s, kernleerstukken en relevante ontwikkelingen uit het algemene bestuursrecht en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) analyseren en duiden. In een rechtsgebied dat continu in beweging is, is actuele duiding essentieel voor zorgvuldige besluitvorming en effectieve rechtsbescherming. Vanuit onze jarenlange ervaring met complexe bestuursrechtelijke vraagstukken delen wij inzichten die direct aansluiten bij de uitdagingen waar overheden, bedrijven en instellingen dagelijks voor staan. Met deze reeks bieden wij niet alleen juridische verdieping, maar ook concrete handvatten. Iedere maand lichten wij een specifiek onderwerp uit en plaatsen dit in een breder juridisch en maatschappelijk kader – helder, scherp en toepasbaar in de praktijk.

Heeft u vragen over de inzet van bestuurlijke toezichtsbevoegdheden? Neem gerust contact op met onze specialisten Mariëtta Buitenhuis en Tom Raaijmakers.

Op 12 mei 2026 is een belangrijke conclusie verschenen van Advocaat-Generaal (A-G) Paridaens over de inzet van bestuursrechtelijke toezichtsbevoegdheden bij integrale controles naar aanleiding van signalen over ondermijning. De conclusie gaat in op de vraag in hoeverre bewijs dat verkregen wordt met bestuursrechtelijke toezichtsbevoegdheden gebruikt mag worden in een strafrechtelijke procedure. Uit de conclusie volgen de volgende lessen voor de praktijk:

  • De A-G maakt in de conclusie duidelijk dat de inzet van bestuurlijke toezichtsbevoegdheden bij integrale controles niet snel een strafrechtelijk vormverzuim oplevert
  • De bestuursrechtelijke toezichtsbevoegdheden moeten zorgvuldig begrensd blijven ten opzichte van strafvorderlijke bevoegdheden, zolang voor de inzet van die strafvorderlijke bevoegdheden (nog) geen wettelijke grondslag bestaat
  • Toezichtsbevoegdheden mogen niet worden ingezet als verkapte opsporingsinstrumenten
De casus: integrale controle leidt tot drugslab

De conclusie, gericht aan de Hoge Raad, is geschreven naar aanleiding van een strafrechtelijke vervolging van een verdachte. De zaak vindt haar oorsprong in een integrale controle als reactie op “ondermijnende signalen” in een straat in de gemeente Wijchen. In deze straat werden daarom door een gemeentelijke toezichthouder meerdere panden gecontroleerd op het formeel gebruik van percelen en panden overeenkomstig het bestemmingsplan. De gemeentelijke toezichthouder controleerde samen met een medewerker van een netbeheerder en een politieambtenaar de panden. Artikel 5:15, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht bepaalt immers dat de toezichthouder zich zo nodig de toegang verschaft “met behulp van de sterke arm” (lees: de politie). In het derde lid van artikel 5:15 Awb staat vervolgens dat de toezichthouder “bevoegd is zich te doen vergezellen door personen die daartoe door hem zijn aangewezen”. Ook het bedrijfspand van de verdachte in kwestie werd gecontroleerd. In het bedrijfsgebouw werden attributen aangetroffen voor de productie van drugs en een drugslab. De verdachte werd hiervoor strafrechtelijk vervolgd.

Relevante vragen voor de praktijk

Volgens de verdachte zijn de bestuurlijke toezichtsbevoegdheden misbruikt voor strafrechtelijke doelen en daarmee strafvorderlijke bevoegdheden omzeild. Het aangetroffen bewijs mag daarom niet worden gebruikt. De A-G beantwoordt in zijn conclusie twee relevante vragen voor de praktijk.

  1. Is het optreden van de toezichthouder en de politieambtenaar bij de integrale controle rechtmatig?
  2. Wat zijn de gevolgen voor een vormverzuim bij een integrale controle
1. Gemeentelijk optreden rechtmatig

Het feit dat de aanleiding van de integrale controle was gelegen in de wens om ondermijnende criminaliteit aan te pakken en dat daarbij van begin af aan is samengewerkt met de politie, leidt er volgens de A-G nog niet toe dat de bestuurlijke toezichtsbevoegdheden van de toezichthouder oneigenlijk zijn ingezet voor de opsporing van strafbare feiten. Pas als de bestuurlijke toezichtsbevoegdheden uitsluitend worden toegepast met als uiteindelijk doel opsporen (in de zin van art. 132a Sv) levert dat een vormverzuim op. Dat is een hoge drempel. Volgens de A-G zal daar bij een integrale controle niet snel sprake zijn, omdat bij een integrale controle in de regel ook andere dan strafrechtelijke belangen zijn gediend die de toepassing van toezichtsbevoegdheden op basis van de Algemene wet bestuursrecht rechtvaardigen. Dat was ook het geval in deze uitspraak. De toezichthouder controleerde namelijk op het formeel gebruik van percelen en panden overeenkomstig het bestemmingsplan.

2. Binnentreden door de politie is vormverzuim, maar blijft zonder gevolgen

De A-G volgt het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in zijn beoordeling dat het vormverzuim begaan door de politiefunctionaris, te weten het mee naar binnen lopen van de bedrijfsruimte met de toezichthouder, niet van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek of de vervolging van de verdachte. Volgens de A-G was de toezichthouder bevoegd om het bedrijfsgebouw binnen te treden. In dat geval zou de toezichthouder het drugslab toch hebben ontdekt, zodat de politieambtenaar hooguit enkele momenten eerder op de hoogte is geraakt van het strafbare feit dan in het scenario waarin hij buiten was blijven wachten. Het verzuim was daarmee feitelijk irrelevant voor het bewijs.

Tot slot: lessen voor de praktijk

Artikel 1:6 aanhef en onder a Awb bepaalt dat de hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van die wet niet van toepassing zijn op de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Daartegenover staat artikel 132a Sv dat opsporing definieert als het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen. Wanneer gaan bestuursrechtelijke bevoegdheden over in opsporing? Uit de conclusie volgt dat de inzet van bestuursrechtelijke toezichtsbevoegdheden bij integrale controles niet snel resulteert in een strafrechtelijk vormverzuim. Wel moeten de bestuursrechtelijke bevoegdheden zorgvuldig begrensd blijven ten opzichte van strafvorderlijke bevoegdheden, zolang voor de inzet van die strafvorderlijke bevoegdheden (nog) geen wettelijke grondslag bestaat. Toezichtsbevoegdheden mogen namelijk niet worden ingezet als verkapte opsporingsinstrumenten. Toch resulteert een strafrechtelijk vormverzuim niet zonder meer in bewijsuitsluiting. Zelfs bij een fout moeten er nadelige gevolgen zijn voor de verdachte.

Het arrest van de Hoge Raad wordt verwacht op 7 juli.

Bestuursrecht in beeld is onze maandelijkse blogreeks waarin wij actuele thema’s, kernleerstukken en relevante ontwikkelingen uit het algemene bestuursrecht en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) analyseren en duiden. In een rechtsgebied dat continu in beweging is, is actuele duiding essentieel voor zorgvuldige besluitvorming en effectieve rechtsbescherming. Vanuit onze jarenlange ervaring met complexe bestuursrechtelijke vraagstukken delen wij inzichten die direct aansluiten bij de uitdagingen waar overheden, bedrijven en instellingen dagelijks voor staan. Met deze reeks bieden wij niet alleen juridische verdieping, maar ook concrete handvatten. Iedere maand lichten wij een specifiek onderwerp uit en plaatsen dit in een breder juridisch en maatschappelijk kader – helder, scherp en toepasbaar in de praktijk.

Heeft u vragen over de inzet van bestuurlijke toezichtsbevoegdheden? Neem gerust contact op met onze specialisten Mariëtta Buitenhuis en Tom Raaijmakers.