Blogreeks Wet Bibob - Deel 3: De inzet van de Wet Bibob door rijksdiensten en waterschappen

 10 augustus 2026 | Blog | NL Law
Inleiding: een blogreeks over het Bibob-instrumentarium

De Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) biedt bestuursorganen een krachtig instrument om te voorkomen dat de overheid ongewild criminele activiteiten faciliteert. Toch laat onderzoek, dat recent bij de Tweede Kamer is aangeboden, zien dat lang niet alle bestuursorganen het Bibob-instrumentarium ten volle benutten – met name bij vastgoedtransacties, overheidsopdrachten en subsidies. Dat geldt in het bijzonder voor kleinere gemeenten, waterschappen en rijksdiensten, die hiervoor onvoldoende capaciteit en kennis in huis hebben. Ook de verruimingen van het toepassingsbereik die zijn ingevoerd met de eerste en tweede tranche wijzigingen (2020 en 2022) worden nog maar beperkt toegepast, zo volgt uit het onderzoek.

Om die reden verschijnt deze blogreeks, waarin wij in vier delen het Bibob-instrumentarium belichten gezien vanuit de praktijk. Aan bod komen:

In dit blog bespreken wij de inzet van de Wet Bibob door rijksdiensten en waterschapen. Daarbij gaan wij in op de uitkomsten van het onderzoek, gaan wij in op de bevoegdheden die deze bestuursorganen hebben – waaronder de nieuwe mogelijkheden onder de Omgevingswet – en sluiten wij af met de belemmeringen die aan een bredere toepassing in de weg staan en aanbevelingen voor de praktijk.

Waterschappen: beleid en toepassing blijven achter
Uit het WODC-onderzoek blijkt dat waterschappen verreweg de grootste groep vormen onder de bestuursorganen die nog geen Bibob-beleid hebben vastgesteld. Van de 228 bestuursorganen die de enquête beantwoordden, bleken de waterschappen de grootste groep bestuursorganen zonder vastgesteld Bibob-beleid. Van de 21 waterschappen bleken slechts twee over vastgesteld en nog geldend Bibob-beleid te beschikken, tegenover 96% van de gemeenten en 100% van de provincies. Bij de zeven onderzochte rijksonderdelen met Bibob-beleid lag dit beeld gunstiger, maar ook daar is het aantal organisaties met beleid beperkt.

Ook waar wél beleid is vastgesteld, wordt de Wet Bibob door rijksdiensten en waterschappen in de praktijk nog weinig toegepast. Van de elf bestuursorganen die aangaven sinds 2020 geen eigen Bibob-onderzoek te hebben uitgevoerd, waren acht waterschappen. Ook uit de interviews komt naar voren dat de meeste waterschappen nog niet actief zijn begonnen met de toepassing van de wet, en dat de basis eerst nog moet worden gelegd op het vlak van bewustwording en draagvlak binnen de organisatie.

Bij vergunningen – het werkingsgebied waarop de Wet Bibob doorgaans het meest wordt toegepast – blijkt eveneens dat waterschappen en rijksorganisaties de wet veel minder of niet benutten, terwijl gemeenten en provincies deze bevoegdheid wel structureel inzetten. Als verklaring wordt vooral gewezen op een gebrek aan capaciteit en specialistische kennis, en op het ontbreken van bestuurlijke prioriteit: waterschappen en rijksonderdelen die de wet willen gaan toepassen, moeten vaak nog beginnen bij de basis.

Rijksdiensten: beperkt bereik en een moeizame start
Van de 87 rijksorganisaties die vooraf zijn benaderd met de vraag of zij de Wet Bibob toepassen, reageerden 55 organisaties; daarvan gaven 48 organisaties aan de wet niet toe te passen en slechts 7 rijksonderdelen dat zij dit wel doen. Aanvullend zijn via het ministerie van Justitie en Veiligheid en het Landelijk Bureau Bibob (LBB) nog 7 organisaties geïdentificeerd waarvan bekend was dat zij de wet toepassen. De 6 van de in totaal 14 uitgenodigde rijksorganisaties bevestigden de toepassing van de wet; één rijksonderdeel liet de daadwerkelijke uitvoering van de wet over aan het eigen departement. Deze cijfers duiden erop dat de kring van rijksonderdelen die daadwerkelijk gebruikmaakt van het Bibob-instrumentarium klein is. Net als bij waterschappen spelen capaciteitsgebrek en beperkte bekendheid met het instrument een belangrijke rol.

De Omgevingswet: nieuwe bevoegdheden voor waterschappen
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het toepassingsbereik van de Wet Bibob voor waterschappen verruimd. Waterschappen kunnen de Wet Bibob sindsdien toepassen bij omgevingsvergunningen die worden verleend op grond van een waterschapsverordening (artikel 5.31 jo. 5.3 Omgevingswet). Dat is een wezenlijke uitbreiding, omdat waterschappen daarmee voor het eerst een eigenstandige Bibob-bevoegdheid hebben gekregen die goed aansluit bij hun kerntaken, zoals vergunningverlening voor werkzaamheden aan of nabij waterkeringen of lozingen.
Tegelijk laat het onderzoek zien dat de meeste waterschappen deze nieuwe mogelijkheid nog niet actief hebben opgepakt. Enkele geïnterviewde waterschappen zijn wel positief over de mogelijkheid om de wet te kunnen toepassen, maar signaleren praktische vraagstukken. Zo kan bij de realisatie van een bouwwerk binnen een waterkering sprake zijn van een meervoudige vergunningaanvraag, waarbij zowel de gemeente als het waterschap bevoegd gezag zijn voor verschillende activiteiten binnen dezelfde aanvraag. Beide bestuursorganen toetsen dan afzonderlijk, terwijl het om dezelfde aanvrager gaat. Dit roept de vraag op of het zinvol is twee afzonderlijke Bibob-onderzoeken te laten uitvoeren, en onderstreept het belang van afstemming en overleg tussen gemeente en waterschap – een punt waarop althans één geïnterviewd waterschap nog zoekende is naar een werkbare aanpak.

Daarnaast is de Wet Bibob onder de Omgevingswet ook van toepassing geworden op een aanvraag om wijziging van het omgevingsplan (artikel 4.19b van de Omgevingswet), voor zover die wijziging ertoe leidt dat de aanvrager een activiteit zonder omgevingsvergunning kan verrichten. Deze verruiming brengt mee dat ook de gemeenteraad – als deze de bevoegdheid niet aan het college heeft gedelegeerd – de Wet Bibob kan toepassen. Dat roept in de praktijk vragen op over de wijze waarop de raad bij een Bibob-onderzoek moet worden betrokken en hoe dit zich verhoudt tot de wettelijke geheimhoudingsplicht van artikel 28 Wet Bibob; in ieder geval zal de raad bij het bespreken van Bibob-informatie besloten moeten vergaderen. De Gemeentewet bevat hiervoor een regeling.

Verklaringen voor de beperkte toepassing
Het onderzoek noemt een aantal terugkerende factoren die verklaren waarom waterschappen en rijksdiensten achterblijven bij de toepassing van de Wet Bibob ten opzichte van gemeenten en provincies.

  1. In de eerste plaats ontbreekt het bij veel waterschappen en rijksonderdelen aan specialistische kennis en voldoende capaciteit om het Bibob-instrumentarium op te bouwen en te onderhouden. Het Bibob-vakgebied vergt zeer specifieke expertise, en personeelsverloop leidt er in de praktijk toe dat opgebouwde kennis binnen de organisatie weer verloren gaat.
  2. In de tweede plaats speelt bij deze bestuursorganen vaker dan bij gemeenten dat er onvoldoende bestuurlijke prioriteit en bewustzijn is: het opzetten van Bibob-beleid en het trainen van medewerkers vergt een investering die maar moeizaam een plaats krijgt naast de kerntaken van waterschappen en rijksdiensten.
  3. In de derde plaats is het aantal signalen dat waterschappen en rijksdiensten ontvangen over mogelijke integriteitsrisico's beperkter dan bij gemeenten, die als eerste overheidslaag doorgaans het meest zicht hebben op lokale (vergunningplichtige) activiteiten. Voor zover er wel signalen zijn, ontbreekt het geregeld aan een vaste structuur om deze te herkennen en op te volgen.
  4. Ten slotte constateert het onderzoek dat er bij deze bestuursorganen ook praktische onduidelijkheid bestaat over de precieze toepassing van de nieuwe wettelijke mogelijkheden, zoals bij de samenloop van bevoegdheden tussen gemeente en waterschap onder de Omgevingswet.

Aanbevelingen voor de praktijk
Wij hopen dat dit derde deel van onze reeks bijdraagt aan een effectievere toepassing van het Bibob-instrumentarium door waterschappen en rijksdiensten. Op basis van het voorgaande geven wij deze bestuursorganen de volgende aanbevelingen mee:

  • Stel, indien nog niet aanwezig, Bibob-beleid vast waarin in ieder geval wordt vastgelegd op welke werkingsgebieden en onder welke omstandigheden een Bibob-toets wordt uitgevoerd, en actualiseer bestaand beleid aan de hand van de verruimingen uit de eerste en tweede tranche wijzigingen (2020 en 2022) en de Omgevingswet.
  • Investeer gericht in kennisopbouw en capaciteit, bijvoorbeeld door één of meer Bibob-coördinatoren aan te wijzen en gebruik te maken van de ondersteuning die de Regionale Informatie- en Expertisecentra (RIEC's) en het LBB bieden bij het opzetten van beleid en het uitvoeren van onderzoek.
  • Maak voor de nieuwe bevoegdheid bij omgevingsvergunningen op grond van een waterschapsverordening concrete werkafspraken met gemeenten voor de gevallen waarin sprake is van een meervoudige vergunningaanvraag, zodat dubbel onderzoek wordt voorkomen en de uitkomsten van eventuele afzonderlijke toetsen op elkaar aansluiten.
  • Zorg bij delegatievraagstukken rond de bevoegdheid van de gemeenteraad om de Wet Bibob toe te passen bij wijziging van het omgevingsplan voor een heldere procedure, inclusief waarborging van de geheimhoudingsplicht en besloten vergadering bij de behandeling van Bibob-informatie.
  • Zorg voor voldoende bewustwording binnen de organisatie zodat signalen die kunnen duiden op integriteitsrisico's tijdig worden herkend en doorgeleid naar de daarvoor verantwoordelijke functionaris.

In het volgende en laatste deel van deze blogreeks gaan wij in op de inzet van de Wet Bibob bij subsidies.

Dit blog is geschreven door Mariëtta Buitenhuis en Elise Noordhoek. Voor meer informatie over de Wet Bibob en de toepassing daarvan kunt u contact opnemen met deze specialisten.

Inleiding: een blogreeks over het Bibob-instrumentarium

De Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) biedt bestuursorganen een krachtig instrument om te voorkomen dat de overheid ongewild criminele activiteiten faciliteert. Toch laat onderzoek, dat recent bij de Tweede Kamer is aangeboden, zien dat lang niet alle bestuursorganen het Bibob-instrumentarium ten volle benutten – met name bij vastgoedtransacties, overheidsopdrachten en subsidies. Dat geldt in het bijzonder voor kleinere gemeenten, waterschappen en rijksdiensten, die hiervoor onvoldoende capaciteit en kennis in huis hebben. Ook de verruimingen van het toepassingsbereik die zijn ingevoerd met de eerste en tweede tranche wijzigingen (2020 en 2022) worden nog maar beperkt toegepast, zo volgt uit het onderzoek.

Om die reden verschijnt deze blogreeks, waarin wij in vier delen het Bibob-instrumentarium belichten gezien vanuit de praktijk. Aan bod komen:

In dit blog bespreken wij de inzet van de Wet Bibob door rijksdiensten en waterschapen. Daarbij gaan wij in op de uitkomsten van het onderzoek, gaan wij in op de bevoegdheden die deze bestuursorganen hebben – waaronder de nieuwe mogelijkheden onder de Omgevingswet – en sluiten wij af met de belemmeringen die aan een bredere toepassing in de weg staan en aanbevelingen voor de praktijk.

Waterschappen: beleid en toepassing blijven achter
Uit het WODC-onderzoek blijkt dat waterschappen verreweg de grootste groep vormen onder de bestuursorganen die nog geen Bibob-beleid hebben vastgesteld. Van de 228 bestuursorganen die de enquête beantwoordden, bleken de waterschappen de grootste groep bestuursorganen zonder vastgesteld Bibob-beleid. Van de 21 waterschappen bleken slechts twee over vastgesteld en nog geldend Bibob-beleid te beschikken, tegenover 96% van de gemeenten en 100% van de provincies. Bij de zeven onderzochte rijksonderdelen met Bibob-beleid lag dit beeld gunstiger, maar ook daar is het aantal organisaties met beleid beperkt.

Ook waar wél beleid is vastgesteld, wordt de Wet Bibob door rijksdiensten en waterschappen in de praktijk nog weinig toegepast. Van de elf bestuursorganen die aangaven sinds 2020 geen eigen Bibob-onderzoek te hebben uitgevoerd, waren acht waterschappen. Ook uit de interviews komt naar voren dat de meeste waterschappen nog niet actief zijn begonnen met de toepassing van de wet, en dat de basis eerst nog moet worden gelegd op het vlak van bewustwording en draagvlak binnen de organisatie.

Bij vergunningen – het werkingsgebied waarop de Wet Bibob doorgaans het meest wordt toegepast – blijkt eveneens dat waterschappen en rijksorganisaties de wet veel minder of niet benutten, terwijl gemeenten en provincies deze bevoegdheid wel structureel inzetten. Als verklaring wordt vooral gewezen op een gebrek aan capaciteit en specialistische kennis, en op het ontbreken van bestuurlijke prioriteit: waterschappen en rijksonderdelen die de wet willen gaan toepassen, moeten vaak nog beginnen bij de basis.

Rijksdiensten: beperkt bereik en een moeizame start
Van de 87 rijksorganisaties die vooraf zijn benaderd met de vraag of zij de Wet Bibob toepassen, reageerden 55 organisaties; daarvan gaven 48 organisaties aan de wet niet toe te passen en slechts 7 rijksonderdelen dat zij dit wel doen. Aanvullend zijn via het ministerie van Justitie en Veiligheid en het Landelijk Bureau Bibob (LBB) nog 7 organisaties geïdentificeerd waarvan bekend was dat zij de wet toepassen. De 6 van de in totaal 14 uitgenodigde rijksorganisaties bevestigden de toepassing van de wet; één rijksonderdeel liet de daadwerkelijke uitvoering van de wet over aan het eigen departement. Deze cijfers duiden erop dat de kring van rijksonderdelen die daadwerkelijk gebruikmaakt van het Bibob-instrumentarium klein is. Net als bij waterschappen spelen capaciteitsgebrek en beperkte bekendheid met het instrument een belangrijke rol.

De Omgevingswet: nieuwe bevoegdheden voor waterschappen
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het toepassingsbereik van de Wet Bibob voor waterschappen verruimd. Waterschappen kunnen de Wet Bibob sindsdien toepassen bij omgevingsvergunningen die worden verleend op grond van een waterschapsverordening (artikel 5.31 jo. 5.3 Omgevingswet). Dat is een wezenlijke uitbreiding, omdat waterschappen daarmee voor het eerst een eigenstandige Bibob-bevoegdheid hebben gekregen die goed aansluit bij hun kerntaken, zoals vergunningverlening voor werkzaamheden aan of nabij waterkeringen of lozingen.
Tegelijk laat het onderzoek zien dat de meeste waterschappen deze nieuwe mogelijkheid nog niet actief hebben opgepakt. Enkele geïnterviewde waterschappen zijn wel positief over de mogelijkheid om de wet te kunnen toepassen, maar signaleren praktische vraagstukken. Zo kan bij de realisatie van een bouwwerk binnen een waterkering sprake zijn van een meervoudige vergunningaanvraag, waarbij zowel de gemeente als het waterschap bevoegd gezag zijn voor verschillende activiteiten binnen dezelfde aanvraag. Beide bestuursorganen toetsen dan afzonderlijk, terwijl het om dezelfde aanvrager gaat. Dit roept de vraag op of het zinvol is twee afzonderlijke Bibob-onderzoeken te laten uitvoeren, en onderstreept het belang van afstemming en overleg tussen gemeente en waterschap – een punt waarop althans één geïnterviewd waterschap nog zoekende is naar een werkbare aanpak.

Daarnaast is de Wet Bibob onder de Omgevingswet ook van toepassing geworden op een aanvraag om wijziging van het omgevingsplan (artikel 4.19b van de Omgevingswet), voor zover die wijziging ertoe leidt dat de aanvrager een activiteit zonder omgevingsvergunning kan verrichten. Deze verruiming brengt mee dat ook de gemeenteraad – als deze de bevoegdheid niet aan het college heeft gedelegeerd – de Wet Bibob kan toepassen. Dat roept in de praktijk vragen op over de wijze waarop de raad bij een Bibob-onderzoek moet worden betrokken en hoe dit zich verhoudt tot de wettelijke geheimhoudingsplicht van artikel 28 Wet Bibob; in ieder geval zal de raad bij het bespreken van Bibob-informatie besloten moeten vergaderen. De Gemeentewet bevat hiervoor een regeling.

Verklaringen voor de beperkte toepassing
Het onderzoek noemt een aantal terugkerende factoren die verklaren waarom waterschappen en rijksdiensten achterblijven bij de toepassing van de Wet Bibob ten opzichte van gemeenten en provincies.

  1. In de eerste plaats ontbreekt het bij veel waterschappen en rijksonderdelen aan specialistische kennis en voldoende capaciteit om het Bibob-instrumentarium op te bouwen en te onderhouden. Het Bibob-vakgebied vergt zeer specifieke expertise, en personeelsverloop leidt er in de praktijk toe dat opgebouwde kennis binnen de organisatie weer verloren gaat.
  2. In de tweede plaats speelt bij deze bestuursorganen vaker dan bij gemeenten dat er onvoldoende bestuurlijke prioriteit en bewustzijn is: het opzetten van Bibob-beleid en het trainen van medewerkers vergt een investering die maar moeizaam een plaats krijgt naast de kerntaken van waterschappen en rijksdiensten.
  3. In de derde plaats is het aantal signalen dat waterschappen en rijksdiensten ontvangen over mogelijke integriteitsrisico's beperkter dan bij gemeenten, die als eerste overheidslaag doorgaans het meest zicht hebben op lokale (vergunningplichtige) activiteiten. Voor zover er wel signalen zijn, ontbreekt het geregeld aan een vaste structuur om deze te herkennen en op te volgen.
  4. Ten slotte constateert het onderzoek dat er bij deze bestuursorganen ook praktische onduidelijkheid bestaat over de precieze toepassing van de nieuwe wettelijke mogelijkheden, zoals bij de samenloop van bevoegdheden tussen gemeente en waterschap onder de Omgevingswet.

Aanbevelingen voor de praktijk
Wij hopen dat dit derde deel van onze reeks bijdraagt aan een effectievere toepassing van het Bibob-instrumentarium door waterschappen en rijksdiensten. Op basis van het voorgaande geven wij deze bestuursorganen de volgende aanbevelingen mee:

  • Stel, indien nog niet aanwezig, Bibob-beleid vast waarin in ieder geval wordt vastgelegd op welke werkingsgebieden en onder welke omstandigheden een Bibob-toets wordt uitgevoerd, en actualiseer bestaand beleid aan de hand van de verruimingen uit de eerste en tweede tranche wijzigingen (2020 en 2022) en de Omgevingswet.
  • Investeer gericht in kennisopbouw en capaciteit, bijvoorbeeld door één of meer Bibob-coördinatoren aan te wijzen en gebruik te maken van de ondersteuning die de Regionale Informatie- en Expertisecentra (RIEC's) en het LBB bieden bij het opzetten van beleid en het uitvoeren van onderzoek.
  • Maak voor de nieuwe bevoegdheid bij omgevingsvergunningen op grond van een waterschapsverordening concrete werkafspraken met gemeenten voor de gevallen waarin sprake is van een meervoudige vergunningaanvraag, zodat dubbel onderzoek wordt voorkomen en de uitkomsten van eventuele afzonderlijke toetsen op elkaar aansluiten.
  • Zorg bij delegatievraagstukken rond de bevoegdheid van de gemeenteraad om de Wet Bibob toe te passen bij wijziging van het omgevingsplan voor een heldere procedure, inclusief waarborging van de geheimhoudingsplicht en besloten vergadering bij de behandeling van Bibob-informatie.
  • Zorg voor voldoende bewustwording binnen de organisatie zodat signalen die kunnen duiden op integriteitsrisico's tijdig worden herkend en doorgeleid naar de daarvoor verantwoordelijke functionaris.

In het volgende en laatste deel van deze blogreeks gaan wij in op de inzet van de Wet Bibob bij subsidies.

Dit blog is geschreven door Mariëtta Buitenhuis en Elise Noordhoek. Voor meer informatie over de Wet Bibob en de toepassing daarvan kunt u contact opnemen met deze specialisten.