Inleiding: een blogreeks over het Bibob-instrumentarium
De Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) biedt bestuursorganen een krachtig instrument om te voorkomen dat de overheid ongewild criminele activiteiten faciliteert. Toch laat onderzoek, dat recent bij de Tweede Kamer is aangeboden, zien dat lang niet alle bestuursorganen het Bibob-instrumentarium ten volle benutten – met name bij vastgoedtransacties, overheidsopdrachten en subsidies. Dat geldt in het bijzonder voor kleinere gemeenten, waterschappen en rijksdiensten, die hiervoor onvoldoende capaciteit en kennis in huis hebben. Ook de verruimingen van het toepassingsbereik die zijn ingevoerd met de eerste en tweede tranche wijzigingen (2020 en 2022) worden nog maar beperkt toegepast, zo volgt uit het onderzoek.
Om die reden verschijnt deze blogreeks, waarin wij in vier delen het Bibob-instrumentarium belichten gezien vanuit de praktijk. Aan bod komen:
In dit vierde deel van de blogreeks staat het werkingsgebied subsidies centraal. Subsidies vormen, net als vastgoedtransacties en overheidsopdrachten, een gebied dat bestuursorganen weliswaar breed in hun Bibob-beleid hebben opgenomen, maar dat in de praktijk beduidend minder wordt toegepast dan bij vergunningen. In dit blog bespreken wij eerst het juridisch kader, gaan wij in op de cijfers en bevindingen uit het recente WODC-onderzoek naar het gebruik en de aanpassingen van de Wet Bibob sinds 2020, en sluiten wij af met aanbevelingen voor de praktijk.
Juridisch kader: subsidies onder de Wet Bibob
Subsidies vallen sinds de invoering van de Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob in 2013 onder het toepassingsbereik van de Wet Bibob. Een bestuursorgaan kan de wet toepassen bij het verstrekken, weigeren of intrekken van een subsidie wanneer het vermoeden bestaat dat de subsidie mede zal worden gebruikt om uit strafbare feiten verkregen voordelen te benutten, of om strafbare feiten te plegen. Met de eerste tranche wijzigingen van 2020 is bovendien verduidelijkt dat ook de bekostiging van onderwijs en onderzoek onder het begrip 'subsidie' in de zin van de Wet Bibob valt.
Voor de beoordeling van een subsidieaanvraag of een reeds verleende subsidie geldt hetzelfde toetsingskader als bij andere beschikkingen: het bestuursorgaan of, na adviesaanvraag, het Landelijk Bureau Bibob (LBB) beoordeelt of sprake is van ernstig gevaar of een mindere mate van gevaar dat de subsidie wordt misbruikt. Met de eerste en tweede tranche wijzigingen is deze beoordeling op een aantal punten uitgebreid en verduidelijkt. Zo wordt niet langer onderscheid gemaakt tussen het plegen van een strafbaar feit om een beschikking (waaronder een subsidie) te verkrijgen en om deze te behouden, kan een sepot worden meegewogen bij de beoordeling van de mate van gevaar, en kan het bestuursorgaan bij een ernstig gevaar dat niet in verhouding staat tot intrekking of weigering alsnog voorschriften aan de subsidie verbinden in plaats van deze te weigeren of in te trekken.
Beperkte toepassing in de praktijk
Uit het WODC-onderzoek blijkt dat subsidies weliswaar veelvuldig als werkingsgebied in het Bibob-beleid van bestuursorganen zijn opgenomen – 86% van de bestuursorganen noemt subsidies in het Bibob-beleid, en onder gemeenten en provincies specifiek zelfs 90% – maar dat de daadwerkelijke toepassing in de praktijk relatief beperkt blijft. Van de bestuursorganen die sinds 2020 wel eens een Bibob-onderzoek hebben uitgevoerd, hebben 126 respondenten dit gedaan bij subsidies, tegenover 160 respondenten bij vergunningen; het merendeel van deze bestuursorganen voerde bij subsidies bovendien maar een klein aantal onderzoeken uit.
Ook de uitkomst van die onderzoeken laat zien dat ingrijpen zelden aan de orde is. Bij ruim 90% van de Bibob-onderzoeken naar nieuwe subsidieaanvragen wordt de subsidie verleend. Bij reeds verleende subsidies blijkt uit het onderzoek dat geen van de bestuursorganen in de onderzochte periode een subsidie heeft ingetrokken naar aanleiding van een Bibob-onderzoek.
Uit de interviews komt een aantal verklaringen naar voren voor deze beperkte toepassing. In de eerste plaats speelt capaciteitsgebrek en prioritering een grote rol: de afdelingen die subsidies verlenen moeten bewust worden gemaakt van de Wet Bibob en moeten signalen of risico's zelf herkennen, wat in de praktijk niet vanzelfsprekend gebeurt. In de tweede plaats moeten die afdelingen de wet ook wél willen toepassen, terwijl de Wet Bibob door geïnterviewden als belastend voor betrokkenen wordt ervaren en kan botsen met het belang van een goede relatie met subsidieaanvragers en -ontvangers. Verschillende geïnterviewde Bibob-coördinatoren ervaren op dit punt weerstand bij de vakafdeling. Ten slotte wordt genoemd dat er bij subsidies vaak al andere weigerings- en intrekkingsgronden beschikbaar zijn – bijvoorbeeld in de subsidieverordening of -regeling zelf – die ook zien op de integriteit van de aanvrager, waardoor de meerwaarde van een afzonderlijke Bibob-toets voor sommige bestuursorganen minder voor de hand ligt.
Het onderzoek signaleert daarnaast dat de Wet Bibob niet wordt toegepast bij de bekostiging van onderwijs, ondanks de verduidelijking uit 2020 dat ook onderwijsbekostiging onder het subsidiebegrip valt.
Relevante jurisprudentie
Rechtspraak specifiek over de toepassing van de Wet Bibob bij subsidies is schaars, wat op zichzelf al illustratief is voor de beperkte praktijktoepassing die uit het WODC-onderzoek naar voren komt. Toch is begin 2025 een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verschenen die voor de praktijk relevant is en die illustreert hoe het algemene Bibob-toetsingskader op subsidies wordt toegepast.
In de uitspraak van 15 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:112) stond een subsidieaanvraag voor de aanleg van een ecologische verbindingszone centraal. Een aanvrager had subsidie aangevraagd voor natuurontwikkeling op percelen die hij kort daarvoor via een ruilovereenkomst had verkregen van zijn zwager, nadat een vrijwel identieke subsidieaanvraag van die zwager voor hetzelfde project eerder was afgewezen na een negatief Bibob-advies. Het Landelijk Bureau Bibob (LBB) concludeerde in een aanvullend advies dat tussen de aanvrager en zijn zwager een zakelijk samenwerkingsverband bestond als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, Wet Bibob, en dat ernstig gevaar bestond dat de subsidie mede zou worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (de b-grond van artikel 3, eerste lid, Wet Bibob). Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant wees de subsidieaanvraag op die grond af.
De Afdeling volgde dit oordeel. Zij overwoog dat voor het aannemen van een zakelijk samenwerkingsverband een zakelijke relatie moet bestaan die is gericht op samenwerking en een zeker duurzaam en structureel karakter heeft, en achtte op basis van een reeks feiten en omstandigheden – waaronder de vrijwel identieke eerdere aanvraag, het ontbreken van een financiële vergoeding of taxatie bij de perceelsruil, de voortdurende civielrechtelijke verplichting van de zwager om de verbindingszone aan te leggen, en eerdere geldleningen tussen partijen – aannemelijk dat sprake was van een schijnconstructie om alsnog via de aanvrager subsidie te verkrijgen. Een dergelijke schijnconstructie valt volgens de Afdeling eveneens onder het begrip zakelijk samenwerkingsverband. Omdat de aan de zwager toe te rekenen strafbare feiten (met name milieudelicten en valsheid in geschrifte bij een eerder Bibob-vragenformulier) samenhingen met de activiteiten waarvoor de subsidie was aangevraagd, mocht het college op basis van de Bibob-adviezen vaststellen dat ernstig gevaar bestond. Ook de weigering zelf achtte de Afdeling evenredig: het college mocht doorslaggevend gewicht toekennen aan het algemeen maatschappelijk belang bij het voorkomen van het faciliteren van strafbare feiten, mede omdat de realisering van het project niet van de subsidie afhankelijk was en het door de aanvrager gestelde belang van natuurontwikkeling niet aan hem persoonlijk was gerelateerd.
Deze uitspraak bevestigt dat het algemene toetsingskader van artikel 3 Wet Bibob – de vaststelling van een relatie met strafbare feiten, de samenhang met de activiteit waarvoor de beschikking wordt gevraagd, en de evenredigheidstoets van artikel 3, vijfde lid – op dezelfde wijze wordt toegepast bij subsidies als bij vergunningen en andere beschikkingen. Zij laat verder zien dat het leerstuk van het zakelijk samenwerkingsverband, dat in de context van vergunningen al veelvuldig in de jurisprudentie is uitgekristalliseerd, ook bij subsidies kan worden ingezet om constructies te doorzien waarbij een subsidie via een derde wordt aangevraagd nadat de oorspronkelijke aanvrager al door de Wet Bibob is tegengehouden. Voor de praktijk is dit een relevant signaal: waar een subsidieregeling voorziet in de mogelijkheid van een Bibob-toets, kunnen bestuursorganen die toets ook gebruiken om een herhaalde aanvraag via een gelieerde partij te beoordelen, mits de feiten een zakelijk samenwerkingsverband of schijnconstructie kunnen dragen.
Wat betekent dit voor de praktijk?
De cijfers en bevindingen uit het onderzoek laten zien dat de Wet Bibob bij subsidies een onderbenut instrument is. Dat is opvallend, omdat subsidieregelingen – zeker in sectoren met veel publiek geld en een divers speelveld van aanvragers, zoals cultuur, sport, zorg en duurzaamheid – kwetsbaar kunnen zijn voor misbruik. Tegelijk is de terughoudendheid in de praktijk begrijpelijk: subsidierelaties hebben doorgaans een ander karakter dan vergunningverlening aan risicovolle branches, en het opzetten van een zorgvuldig Bibob-traject vergt een investering die niet voor elk bestuursorgaan en elke subsidieregeling opweegt tegen het waargenomen risico.
Voor bestuursorganen die de Wet Bibob effectiever willen inzetten bij subsidies, is het daarom vooral zaak om selectief en risicogericht te werk te gaan: niet elke subsidie hoeft standaard te worden getoetst, maar voor subsidieregelingen met een verhoogd risicoprofiel – bijvoorbeeld door de omvang van de subsidie, de sector, of concrete signalen – loont het om vooraf in de subsidieregeling of -beschikking te voorzien in de mogelijkheid van een Bibob-toets en in een grondslag om deze toe te passen bij intrekking en weigering.
Aanbevelingen voor de praktijk
Wij hopen dat deze afsluitende bijdrage aan onze reeks bijdraagt aan een bewustere en effectievere toepassing van het Bibob-instrumentarium bij subsidies. Op basis van het voorgaande geven wij bestuursorganen de volgende aanbevelingen mee:
- Breng in kaart welke subsidieregelingen een verhoogd risico op misbruik kennen – bijvoorbeeld vanwege de omvang van de subsidie, de sector of eerdere signalen – en stel voor die regelingen vast onder welke omstandigheden standaard een Bibob-toets wordt uitgevoerd.
- Neem in de subsidieverordening, -regeling of -beschikking een duidelijke grondslag op om de Wet Bibob toe te passen bij zowel de subsidieaanvraag als bij een reeds verleende subsidie, zodat hierover bij een eventueel Bibob-onderzoek geen discussie kan ontstaan.
- Zorg voor bewustwording en training bij de subsidieverlenende afdelingen, zodat signalen die kunnen duiden op integriteitsrisico's tijdig worden herkend en doorgeleid naar de Bibob-coördinator, ook wanneer dit op gespannen voet lijkt te staan met de relatie met de subsidieaanvrager of -houder.
- Betrek bij de afweging of een Bibob-onderzoek meerwaarde heeft, of de subsidieverordening of -regeling al voorziet in andere weigerings- of intrekkingsgronden die zien op de integriteit van de aanvrager, en gebruik de Wet Bibob vooral daar waar dat eigen instrumentarium tekortschiet.
Tot besluit
Met dit vierde deel sluiten wij onze blogreeks over de Wet Bibob af. Uit de vier delen komt een consistent beeld naar voren: de wettelijke mogelijkheden om het Bibob-instrumentarium in te zetten zijn de afgelopen jaren fors uitgebreid, maar de daadwerkelijke toepassing in de praktijk blijft – met name buiten het werkingsgebied vergunningen en bij kleinere bestuursorganen, waterschappen en rijksdiensten – achter bij de mogelijkheden die de wet biedt. Voor bestuursorganen die het Bibob-instrumentarium effectiever willen benutten, is de rode draad door deze reeks dat het loont om te investeren in actueel en concreet beleid, voldoende kennis en capaciteit, en een risicogerichte, goed gemotiveerde toepassing binnen de grenzen die de wet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur stellen.
Dit blog is geschreven door Mariëtta Buitenhuis en Sammie Elbertsen.