Duurzaamheid in de Warmtewet 2

 6 juli 2020 | Blog

Zoals in ons ‘paraplublog’ al opgemerkt, is een van de pijlers van de Warmtewet 2 de verplichte verduurzaming van collectieve warmtesystemen. In verband daarmee mag een collectief warmtesysteem op grond van het wetsvoorstel steeds minder CO2 uitstoten. De wetgever beoogt op deze manier een belangrijke stap te zetten richting het bereiken van een CO2-arme warmtevoorziening in 2030 en een CO2-vrije warmtelevering door collectieve warmtesystemen in 2050 (MvT, p. 7).

Het verduurzamen van de gebouwde omgeving

In het Klimaatakkoord is afgesproken om de CO₂-uitstoot van de gebouwde omgeving te verminderen met 3,4 Megaton (Mton) in 2030. Om dit doel te bereiken moeten 1,5 miljoen woningen en andere gebouwen van het aardgas af per 2030. Het gaat onder meer om een grote transitie van verwarming op basis van aardgas (en andere fossiele brandstoffen) naar CO2-arme alternatieven.

Een belangrijke rol is in dat kader voorzien voor collectieve warmtesystemen met gebruik van hernieuwbare warmtebronnen als aardwarmte, biomassa, aquathermie en warmte-koude opslag (WKO). Veel collectieve warmtesystemen worden echter nu nog gevoed met CO2-rijke restwarmte van fossiele bronnen als aardgasgestookte centrales en afvalverbranding, en leveren daardoor een lage bijdrage aan de beoogde CO2-reductie. Om dit te veranderen – en eveneens de duurzaamheid van nieuwe collectieve warmtesystemen zeker te stellen – verplicht de Warmtewet 2 tot een vermindering van CO2-uitstoot van collectieve warmtesystemen.

Prestatienormen voor CO2-uitstoot

Meer concreet heeft de wetgever in het wetsvoorstel prestatienormen opgenomen voor de CO2-uitstoot die maximaal gemoeid mag zijn bij de levering van warmte per warmtekavel. Deze normen gelden voor aangewezen warmtebedrijven en zijn vastgelegd in art. 2.16. Dit artikel bevat een zogenoemd “minimaal haalbaar pad voor verduurzaming” tot en met 2030. Per jaar is vastgelegd hoeveel kilogram CO2 een warmtebedrijf per gigajoule (GJ) warmte mag uitstoten op zijn warmtekavel (artikel 2.16 lid 1 onder a t/m i). Deze toegestane hoeveelheid is 40 kilogram CO₂ per GJ in 2022 en daalt vervolgens jaarlijks met 1,9 kilogram CO₂ naar 25 kg CO₂ per GJ in 2030.

Het idee van de wetgever is dat een minimaal pad ruimte biedt voor het warmtebedrijf om verduurzaming samen te laten gaan met een natuurlijk investeringsmoment, zoals vervanging, onderhoud of uitbreiding van een collectief warmtesysteem (MvT, p. 33). Dit maakt het voor het warmtebedrijf mogelijk om te komen tot een eigen planning voor de verduurzaming van een collectief warmtesysteem, waarbij de prestatienorm voor CO2-uitstoot ieder jaar als stok achter de deur zal blijven gelden.

Toezicht

Het warmtebedrijf is zelf verantwoordelijk voor de bovengenoemde verduurzaming van zijn collectief warmtesysteem. Als een collectief warmtesysteem per warmtekavel niet duurzaam genoeg is, kan de ACM handhavend optreden. De ACM heeft de bevoegdheid om bij overtreding van een prestatienorm voor CO2-uitstoot een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete op te leggen aan een warmtebedrijf (art. 9.3 lid 1 en art. 9.4 lid 1). Bij een voortdurende overtreding van een prestatienorm voor CO2-uitstoot mag de ACM niet ieder jaar opnieuw handhavend optreden. Door toepassing van de artikelen 9.3 lid 4 en 9.4 lid 2 is het voor de ACM niet mogelijk een tweede last onder dwangsom of een tweede bestuurlijke boete op te leggen voor de eerste vijf jaren na de eerste overtreding van een prestatienorm voor CO2-uitstoot.

Als vijf jaar na een eerste overtreding het collectief warmtesysteem nog steeds niet voldoet aan de geldende prestatienorm voor CO2-uitstoot, meldt de ACM dit bij het College dat het warmtebedrijf heeft aangewezen. Het College is vervolgens verplicht om de aanwijzing van het warmtebedrijf in te trekken (artikel 2.5 lid 1 onder a onder 3°). Hierbij geldt dat het college pas tot intrekking mag overgaan als een ander warmtebedrijf is aangewezen voor het desbetreffende warmtekavel (artikel 2.5 lid 3). Indien de melding van de ACM betrekking heeft op een ontheffing aan een warmtebedrijf voor een klein collectief warmtesysteem, moet het College die ontheffing intrekken (artikel 3.2 lid 1 onder a onder 2°). Hierbij geldt eveneens dat het college pas tot intrekking mag overgaan als aan een ander warmtebedrijf een ontheffing is verleend voor het ontheffingsgebied (artikel 3.2 lid 3 onder a) of een ander warmtebedrijf is aangewezen voor het ontheffingsgebied (artikel 3.2 lid 3 onder b).

Transparantie

Indien de uitstoot van CO2 van een collectief warmtesysteem per warmtekavel meer is dan de prestatienorm toestaat, moet het warmtebedrijf dit onmiddellijk melden aan de ACM (art.16 lid 3). Ook moet het warmtebedrijf andere transparantie-vereisten in acht nemen. In dat kader moet het aangewezen warmtebedrijf:

  1. in het kavelplan (uitgewerkt) beschrijven op welke wijze de prestatienormen voor CO2-uitstoot bereikt zullen worden (art. 2.11 lid 2 onder a).
  2. in het periodieke investeringsplan voor een warmtekavel beschrijven welke gevolgen de investeringen hebben op het bereiken van de prestatienormen voor CO2-uitstoot (art. 2.12 lid 1 onder c);
  3. jaarlijks de duurzaamheidsprestaties van een collectief warmtesysteem verstrekken aan de verbruikers die warmte geleverd krijgen (via de gespecificeerde factuur – art. 2.17); en
  4. inzicht geven over de prestaties van een collectief warmtesysteem in de publicatie van het bestuursverslag bij de jaarrekening (art. 2.180. Deze verplichting is vergelijkbaar met de huidige verplichting van art. 12a lid 3 onder c van de huidige Warmtewet jo. art. 7 lid 2 onder b Warmtebesluit en art. 7a Warmteregeling.

Voor een klein warmtebedrijf geldt op dit punt een ‘light regime’, zie art. 3.6 (koppelbepaling) en vooral art. art. 3.8 lid 1 onder d.

De dreigende werking van een gelijkwaardig alternatief

De prikkel voor een warmtebedrijf om een collectief warmtesysteem te verduurzamen zal niet alleen voortkomen uit de prestatienormen voor CO2-uitstoot in de Warmtewet 2. In belangrijke mate zal een warmtebedrijf willen verduurzamen vanwege de werking van art. 2.29 lid 4 en artikel 4.7 lid 1 Omgevingswet (nu nog artikel 1.3 Bouwbesluit 2012). Op grond van deze artikelen is het voor een gebouweigenaar mogelijk om bij het College aan te geven dat hij – anders dan in het Omgevingsplan is voorgeschreven – niet wil aansluiten op het collectief warmtesysteem, maar kiest voor een alternatieve, individuele warmtevoorziening (‘opt-out’). Dat mag echter alleen als met de voorgenomen individuele warmtevoorziening ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu kan worden bereikt als met het collectief warmtesysteem (MvT, p. 44-45). Bovendien is toestemming nodig van het College om niet aangesloten te worden op een collectief warmtesysteem. Indien het College geen toestemming verleent, omdat de gebouweigenaar niet in een gelijkwaardig alternatief voorziet, zal de gebouweigenaar opnieuw een verzoek van het College ontvangen om aangesloten te worden op het collectief warmtesysteem (artikel 2.30).

Het warmtebedrijf zal willen voorkomen dat alternatieven gelijkwaardig zijn aan de energiezuinigheids- en milieuprestaties van het collectief warmtesysteem, omdat het warmtebedrijf belang heeft bij zoveel mogelijk aansluitingen (zonder aansluitingen immers geen (rendabele) exploitatie). In dat kader zal het voor het warmtebedrijf lonen om de CO2-uitstoot die nodig is voor warmtelevering te verlagen. Van een gelijkwaardig alternatief voor het aspect ‘energiezuinigheid’, en daarmee een mogelijkheid om een beroep op de opt-out te kunnen doen, zal dan immers minder snel sprake zijn. Binnenkort kunt u over dit onderwerp overigens meer lezen in een artikel dat wij schreven voor het tijdschrift Vastgoedrecht (welk artikel u hier kunt opvragen).

Extra duurzaamheidseisen?

Volgens de toelichting op het wetsvoorstel is het nadrukkelijk niet de bedoeling dat een gemeente nog strengere eisen aan duurzaamheid gaat stellen of extra maatregelen gaat voorschrijven (MvT, p. 75). Dit laat onverlet dat een warmtebedrijf op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) mogelijk geconfronteerd wordt met regels en voorschriften die de minister vanuit het oogpunt van de bescherming van het milieu nodig acht. De toelichting noemt daarbij als voorbeeld de bevoegdheid van de minister om regels voor te schrijven over het energieverbruik van een installatie die als warmtebron voor een collectief warmtesysteem fungeert (MvT, p. 76).

Afsluitend

Kort samengevat, wordt verduurzaming van een collectief warmtesysteem door reductie van CO2-uitstoot verplicht. Dat is nieuw ten opzichte van de huidige Warmtewet. Het is aan het (aangewezen) warmtebedrijf om deze verduurzaming vorm te geven. De vraag welke investeringsmaatregel daarvoor het beste geschikt is, kan in zijn algemeenheid niet worden beantwoord. Het verduurzamen van warmtenetten vraagt maatwerk. De keuze voor een verduurzamingsmaatregel is bijvoorbeeld sterk afhankelijk van de leveringstemperatuur en het potentieel van het collectief warmtesysteem.

Wilt u meer weten over warmte of de Warmtewet (2)? Neem dan contact op met Keesjan Meijering.

Op dinsdag 7 juli bespraken Marjolein Dieperink, Keesjan Meijering en Maarten de Wit dit wetsvoorstel en hun visie daarop tijdens een interactief webinar. Kijk het webinar hier terug.

Zoals in ons ‘paraplublog’ al opgemerkt, is een van de pijlers van de Warmtewet 2 de verplichte verduurzaming van collectieve warmtesystemen. In verband daarmee mag een collectief warmtesysteem op grond van het wetsvoorstel steeds minder CO2 uitstoten. De wetgever beoogt op deze manier een belangrijke stap te zetten richting het bereiken van een CO2-arme warmtevoorziening in 2030 en een CO2-vrije warmtelevering door collectieve warmtesystemen in 2050 (MvT, p. 7).

Het verduurzamen van de gebouwde omgeving

In het Klimaatakkoord is afgesproken om de CO₂-uitstoot van de gebouwde omgeving te verminderen met 3,4 Megaton (Mton) in 2030. Om dit doel te bereiken moeten 1,5 miljoen woningen en andere gebouwen van het aardgas af per 2030. Het gaat onder meer om een grote transitie van verwarming op basis van aardgas (en andere fossiele brandstoffen) naar CO2-arme alternatieven.

Een belangrijke rol is in dat kader voorzien voor collectieve warmtesystemen met gebruik van hernieuwbare warmtebronnen als aardwarmte, biomassa, aquathermie en warmte-koude opslag (WKO). Veel collectieve warmtesystemen worden echter nu nog gevoed met CO2-rijke restwarmte van fossiele bronnen als aardgasgestookte centrales en afvalverbranding, en leveren daardoor een lage bijdrage aan de beoogde CO2-reductie. Om dit te veranderen – en eveneens de duurzaamheid van nieuwe collectieve warmtesystemen zeker te stellen – verplicht de Warmtewet 2 tot een vermindering van CO2-uitstoot van collectieve warmtesystemen.

Prestatienormen voor CO2-uitstoot

Meer concreet heeft de wetgever in het wetsvoorstel prestatienormen opgenomen voor de CO2-uitstoot die maximaal gemoeid mag zijn bij de levering van warmte per warmtekavel. Deze normen gelden voor aangewezen warmtebedrijven en zijn vastgelegd in art. 2.16. Dit artikel bevat een zogenoemd “minimaal haalbaar pad voor verduurzaming” tot en met 2030. Per jaar is vastgelegd hoeveel kilogram CO2 een warmtebedrijf per gigajoule (GJ) warmte mag uitstoten op zijn warmtekavel (artikel 2.16 lid 1 onder a t/m i). Deze toegestane hoeveelheid is 40 kilogram CO₂ per GJ in 2022 en daalt vervolgens jaarlijks met 1,9 kilogram CO₂ naar 25 kg CO₂ per GJ in 2030.

Het idee van de wetgever is dat een minimaal pad ruimte biedt voor het warmtebedrijf om verduurzaming samen te laten gaan met een natuurlijk investeringsmoment, zoals vervanging, onderhoud of uitbreiding van een collectief warmtesysteem (MvT, p. 33). Dit maakt het voor het warmtebedrijf mogelijk om te komen tot een eigen planning voor de verduurzaming van een collectief warmtesysteem, waarbij de prestatienorm voor CO2-uitstoot ieder jaar als stok achter de deur zal blijven gelden.

Toezicht

Het warmtebedrijf is zelf verantwoordelijk voor de bovengenoemde verduurzaming van zijn collectief warmtesysteem. Als een collectief warmtesysteem per warmtekavel niet duurzaam genoeg is, kan de ACM handhavend optreden. De ACM heeft de bevoegdheid om bij overtreding van een prestatienorm voor CO2-uitstoot een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete op te leggen aan een warmtebedrijf (art. 9.3 lid 1 en art. 9.4 lid 1). Bij een voortdurende overtreding van een prestatienorm voor CO2-uitstoot mag de ACM niet ieder jaar opnieuw handhavend optreden. Door toepassing van de artikelen 9.3 lid 4 en 9.4 lid 2 is het voor de ACM niet mogelijk een tweede last onder dwangsom of een tweede bestuurlijke boete op te leggen voor de eerste vijf jaren na de eerste overtreding van een prestatienorm voor CO2-uitstoot.

Als vijf jaar na een eerste overtreding het collectief warmtesysteem nog steeds niet voldoet aan de geldende prestatienorm voor CO2-uitstoot, meldt de ACM dit bij het College dat het warmtebedrijf heeft aangewezen. Het College is vervolgens verplicht om de aanwijzing van het warmtebedrijf in te trekken (artikel 2.5 lid 1 onder a onder 3°). Hierbij geldt dat het college pas tot intrekking mag overgaan als een ander warmtebedrijf is aangewezen voor het desbetreffende warmtekavel (artikel 2.5 lid 3). Indien de melding van de ACM betrekking heeft op een ontheffing aan een warmtebedrijf voor een klein collectief warmtesysteem, moet het College die ontheffing intrekken (artikel 3.2 lid 1 onder a onder 2°). Hierbij geldt eveneens dat het college pas tot intrekking mag overgaan als aan een ander warmtebedrijf een ontheffing is verleend voor het ontheffingsgebied (artikel 3.2 lid 3 onder a) of een ander warmtebedrijf is aangewezen voor het ontheffingsgebied (artikel 3.2 lid 3 onder b).

Transparantie

Indien de uitstoot van CO2 van een collectief warmtesysteem per warmtekavel meer is dan de prestatienorm toestaat, moet het warmtebedrijf dit onmiddellijk melden aan de ACM (art.16 lid 3). Ook moet het warmtebedrijf andere transparantie-vereisten in acht nemen. In dat kader moet het aangewezen warmtebedrijf:

  1. in het kavelplan (uitgewerkt) beschrijven op welke wijze de prestatienormen voor CO2-uitstoot bereikt zullen worden (art. 2.11 lid 2 onder a).
  2. in het periodieke investeringsplan voor een warmtekavel beschrijven welke gevolgen de investeringen hebben op het bereiken van de prestatienormen voor CO2-uitstoot (art. 2.12 lid 1 onder c);
  3. jaarlijks de duurzaamheidsprestaties van een collectief warmtesysteem verstrekken aan de verbruikers die warmte geleverd krijgen (via de gespecificeerde factuur – art. 2.17); en
  4. inzicht geven over de prestaties van een collectief warmtesysteem in de publicatie van het bestuursverslag bij de jaarrekening (art. 2.180. Deze verplichting is vergelijkbaar met de huidige verplichting van art. 12a lid 3 onder c van de huidige Warmtewet jo. art. 7 lid 2 onder b Warmtebesluit en art. 7a Warmteregeling.

Voor een klein warmtebedrijf geldt op dit punt een ‘light regime’, zie art. 3.6 (koppelbepaling) en vooral art. art. 3.8 lid 1 onder d.

De dreigende werking van een gelijkwaardig alternatief

De prikkel voor een warmtebedrijf om een collectief warmtesysteem te verduurzamen zal niet alleen voortkomen uit de prestatienormen voor CO2-uitstoot in de Warmtewet 2. In belangrijke mate zal een warmtebedrijf willen verduurzamen vanwege de werking van art. 2.29 lid 4 en artikel 4.7 lid 1 Omgevingswet (nu nog artikel 1.3 Bouwbesluit 2012). Op grond van deze artikelen is het voor een gebouweigenaar mogelijk om bij het College aan te geven dat hij – anders dan in het Omgevingsplan is voorgeschreven – niet wil aansluiten op het collectief warmtesysteem, maar kiest voor een alternatieve, individuele warmtevoorziening (‘opt-out’). Dat mag echter alleen als met de voorgenomen individuele warmtevoorziening ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu kan worden bereikt als met het collectief warmtesysteem (MvT, p. 44-45). Bovendien is toestemming nodig van het College om niet aangesloten te worden op een collectief warmtesysteem. Indien het College geen toestemming verleent, omdat de gebouweigenaar niet in een gelijkwaardig alternatief voorziet, zal de gebouweigenaar opnieuw een verzoek van het College ontvangen om aangesloten te worden op het collectief warmtesysteem (artikel 2.30).

Het warmtebedrijf zal willen voorkomen dat alternatieven gelijkwaardig zijn aan de energiezuinigheids- en milieuprestaties van het collectief warmtesysteem, omdat het warmtebedrijf belang heeft bij zoveel mogelijk aansluitingen (zonder aansluitingen immers geen (rendabele) exploitatie). In dat kader zal het voor het warmtebedrijf lonen om de CO2-uitstoot die nodig is voor warmtelevering te verlagen. Van een gelijkwaardig alternatief voor het aspect ‘energiezuinigheid’, en daarmee een mogelijkheid om een beroep op de opt-out te kunnen doen, zal dan immers minder snel sprake zijn. Binnenkort kunt u over dit onderwerp overigens meer lezen in een artikel dat wij schreven voor het tijdschrift Vastgoedrecht (welk artikel u hier kunt opvragen).

Extra duurzaamheidseisen?

Volgens de toelichting op het wetsvoorstel is het nadrukkelijk niet de bedoeling dat een gemeente nog strengere eisen aan duurzaamheid gaat stellen of extra maatregelen gaat voorschrijven (MvT, p. 75). Dit laat onverlet dat een warmtebedrijf op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) mogelijk geconfronteerd wordt met regels en voorschriften die de minister vanuit het oogpunt van de bescherming van het milieu nodig acht. De toelichting noemt daarbij als voorbeeld de bevoegdheid van de minister om regels voor te schrijven over het energieverbruik van een installatie die als warmtebron voor een collectief warmtesysteem fungeert (MvT, p. 76).

Afsluitend

Kort samengevat, wordt verduurzaming van een collectief warmtesysteem door reductie van CO2-uitstoot verplicht. Dat is nieuw ten opzichte van de huidige Warmtewet. Het is aan het (aangewezen) warmtebedrijf om deze verduurzaming vorm te geven. De vraag welke investeringsmaatregel daarvoor het beste geschikt is, kan in zijn algemeenheid niet worden beantwoord. Het verduurzamen van warmtenetten vraagt maatwerk. De keuze voor een verduurzamingsmaatregel is bijvoorbeeld sterk afhankelijk van de leveringstemperatuur en het potentieel van het collectief warmtesysteem.

Wilt u meer weten over warmte of de Warmtewet (2)? Neem dan contact op met Keesjan Meijering.

Op dinsdag 7 juli bespraken Marjolein Dieperink, Keesjan Meijering en Maarten de Wit dit wetsvoorstel en hun visie daarop tijdens een interactief webinar. Kijk het webinar hier terug.

Gerelateerde expertises