In januari heeft zich het nodige afgespeeld op het gebied van het mededingingsrecht. Deze maand gaan wij onder andere in op het rapport van de ACM over de concurrentiedynamiek op de Nederlandse markt, rechtspraak van het Hof van Justitie over de behandelingstermijn van onderzoeken naar mededingingsinbreuk en ‘hybride’ onderzoeksprocedures, en de goedgekeurde concentratie tussen twee Belgische vastgoedondernemingen die actief zijn op de markt voor zorgwoningen.
Staat van de Markt: concurrentie in Nederland
ACM publiceert nieuw rapport: Staat van de Markt 2026
Volgens de Autoriteit Consument en Markt (“ACM”) wijzen verschillende indicatoren op een afname van de concurrentie in Nederland. Dat blijkt uit het Staat van de Markt 2026 rapport, dat de ontwikkeling van concurrentie over de periode van 2011 tot en met 2023 beschrijft aan de hand van een aantal gangbare indicatoren voor concurrentie die zien op marktconcentratie, -dynamiek en -uitkomsten.
In de betrokken periode is volgens de ACM de marktconcentratie toegenomen, oprichting en uittreding van bedrijven afgenomen, en zijn bedrijven beter in staat geworden hun marges te verhogen. Daarnaast signaleert de ACM problemen in de markten rondom private equity, clouddiensten en de aandachtseconomie. De ACM wil twee nieuwe instrumenten om een gezonde marktwerking te bevorderen: de zogenaamde call-in bevoegdheid en de new competition tool. In het Coalitieakkoord ‘Aan de slag’ van het CDA, de VDD en D66 staat dat de ACM deze instrumenten krijgt. Voor de call-in bevoegdheid is al een wetsvoorstel ingediend in de Tweede Kamer: de Wet inroepbevoegdheid ACM. Voor de new competition tool zal een nieuw wetgevingstraject in gang moeten worden gezet. De new competition tool is een voorgesteld instrument voor de ACM om in te grijpen in markten die structureel niet goed werken, ook zonder dat bedrijven de Mededingingswet overtreden. Het stelt de ACM in staat om, na onderzoek, maatregelen op te leggen aan bedrijven om concurrentieproblemen zoals hoge prijzen, verminderde innovatie of toetredingsbarrières aan te pakken.
Kartels
Hof van Justitie beantwoordt prejudiciële vragen over toelaatbaarheid behandelingstermijn van onderzoek naar mededingingsinbreuk
Op 15 januari 2026 heeft het Hof van Justitie van de EU (“Hof”) prejudiciële vragen beantwoord van de Consiglio di Stato (de hoogste bestuursrechter in Italië) in een geschil tussen Imballaggi Piemontesi Srl (“Imballaggi”) en de Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato (de Italiaanse mededingingsautoriteit, “AGCM”).
Op 22 maart 2017 heeft de AGCM een onderzoek ingeleid naar negentien ondernemingen, waaronder Imballagi, om eventuele inbreuken op artikel 101 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (“VWEU”) vast te stellen wegens deelname aan een vermeend kartel op de markt van golfkartonvellen (“kartonkartel”). Op 5 juli 2017 is dit onderzoek uitgebreid tot drie andere ondernemingen wegens hun deelname aan dat vermeende kartonkartel, alsook tot vier ondernemingen, waaronder Imballaggi, wegens deelname aan een ander vermeend kartel op de markt voor verpakkingen (“verpakkingskartel”). In de daaropvolgende periode is het onderzoek meermaals uitgebreid naar andere ondernemingen, en tweemaal met ongeveer zeven maanden verlengd. Op 17 juli 2019 heeft de AGCM het besluit tot beëindiging van de onderzoeksprocedure vastgesteld en Imballaggi een geldboete van € 6 miljoen opgelegd wegens deelname aan het kartonkartel.
Imballaggi heeft beroep tegen het boetebesluit ingesteld. Dat is verworpen in eerste aanleg, waarna Imballaggi hoger beroep heeft ingesteld. Tegen de uitspraak in dit hoger beroep van 1 maart 2023 heeft Imballaggi bij dezelfde rechter een beroep tot herziening ingesteld. In het kader van dit beroep heeft de Consiglio di Stato prejudiciële vragen gesteld aan het Hof over de verlenging van de behandelingstermijn. De Consiglio di Stato merkt op dat de onderzoeksprocedure ingewikkeld was, doordat zij zag op twee kartels, en dat zowel het aantal ondernemingen als het voorwerp van de procedure zijn uitgebreid. De Consiglio di Stato merkt ook op dat er geen Unie- of nationaalrechtelijke bepaling is die voorziet in een dwingende termijn voor de beëindiging van procedures tot het vaststellen van mededingingsinbreuken. Hij vraagt zich af of de in het besluit tot inleiding van een onderzoek vermelde beëindigingstermijn moet worden geacht bindend te zijn of dat de AGCM deze termijn eenzijdig kan verlengen wanneer zich omstandigheden voordoen die het onderzoek ingewikkelder maken dan oorspronkelijk door deze autoriteit was voorzien, in het licht van artikel 41 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (“Handvest”) en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (“EVRM”).
Het Hof stelt dat nationale regels tot vaststelling van procedurele termijnen voor onderzoeken naar mededingingsbreuken een evenwicht tot stand moeten brengen tussen enerzijds het doel om de rechtszekerheid en de behandeling van zaken binnen een redelijke termijn te waarborgen, en anderzijds de daadwerkelijke en doeltreffende uitvoering van het mededingingsrecht om het openbaar belang te beschermen door te voorkomen dat de werking van de interne markt wordt verstoord door overeenkomsten of praktijken die schadelijk zijn voor de mededinging. Of een nationale termijnregeling dit evenwicht in acht neemt, hangt onder meer af van de duur van de betrokken termijn en alle toepassingsbepalingen ervan. Bovendien vereisen mededingingszaken een complexe feitelijke en economische analyse. Per geval moet, aan de hand van de omstandigheden van het individuele geval, worden beoordeeld wat een redelijke uiterste behandelingstermijn is. Rechtsregels moeten duidelijk, nauwkeurig en voorzienbaar zijn, maar dit verzet zich er volgens het Hof niet tegen dat een termijn wordt verlengd, zolang de verlening behoorlijk is gemotiveerd.
Gerecht doet uitspraak over gebruik gefaseerde ‘hybride’ onderzoeksprocedure door Europese Commissie
Op 21 januari 2026 heeft het Gerecht van het Hof van Justitie van de Europese Unie (“Gerecht”) uitspraak gedaan in de Lantmännen zaak. De Europese Commissie (“Commissie”) had een boete van 47 miljoen euro opgelegd aan de verzoekers voor een inbreuk op artikel 101 van het Verdrag Betreffende de Werking van de Europese Unie (“VWEU”) en artikel 53 van de EER Overeenkomst, wegens het kunstmatig verhogen van de prijs van ethanol in samenwerking met twee andere partijen gedurende de periode waarin de marktprijs werd vastgesteld. Voorafgaand aan deze boete had de Commissie al een schikking bereikt met een van de andere partijen, waardoor er een gespreide ‘hybride’ procedure tot stand kwam.
Lantmännen stelde dat de Commissie haar recht op het vermoeden van onschuld heeft geschonden door met een van de andere partijen te schikken vóór het einde van de gewone procedure en door in dit schikkingsbesluit naar haar te verwijzen. Bovendien zou het gebruik van deze ‘hybride’ procedure de vereiste onpartijdigheid van de Commissie hebben ondermijnd en daarmee haar rechten van verdediging hebben geschonden.
Het Gerecht gaat hier niet in mee. Het Gerecht merkt op dat een ‘hybride’ procedure niet inherent in strijd is met de onschuldpresumptie en dat het schikkingsbesluit geen rechtsgevolgen had voor het besluit in de gewone procedure. Daarnaast hoefde de Commissie niet aan te tonen dat de in de tijd gespreide hybride procedure ‘dwingend’ was, maar enkel dat deze een snellere en efficiëntere afhandeling van de zaak mogelijk maakte. De Commissie is bovendien voldoende voorzichtig geweest bij het opstellen van het schikkingsbesluit om te vermijden dat voortijdig een oordeel zou worden geveld over de aansprakelijkheid van Lantmännen, terwijl de informatie is opgenomen die nodig was voor de beschrijving en kwalificatie van de deelname van de schikkende partij aan het kartel. Tot slot noopte of dwong het feit dat één partij een schikking had bereikt de Commissie niet om haar onpartijdigheid op te geven. Hoewel de verzoeksters betoogden dat de juridische logica van de schikking betekende dat minstens één andere partij aan het kartel moet hebben deelgenomen, wijst het Gerecht dit argument ter onderbouwing van de gestelde vooringenomenheid van de Commissie af. Het Gerecht is van mening dat de vaststelling van het schikkingsbesluit op zich geen rechtsgevolgen heeft voor de besluiten die de Commissie later in het kader van de gewone procedure neemt ten aanzien van een partij die geen schikking heeft getroffen.
Baksteenfabrikanten mogen pallet statiegeldsysteem opzetten
Op 12 januari 2026 heeft de Autoriteit Consument en Markt (“ACM”) na een informele beoordeling geconcludeerd dat het initiatief van zeven baksteenfabrikanten om een statiegeld- en retoursysteem voor pallets op te zetten verenigbaar is met het mededingingsrecht.
De herbruikbare pallets dragen volgens de ACM bij aan de verduurzaming van de sector, omdat de huidige pallets slechts één keer worden gebruikt. Volgens de ACM is het initiatief niet in strijd met de mededingingsregels. Het gaat namelijk om een duurzaamheidsinitiatief dat geen merkbare beperking van de mededinging veroorzaakt. Deelname staat open en is kosteloos, er wordt geen concurrentiegevoelige informatie uitgewisseld en de productie en pooling van pallets wordt elke vijf jaar via een aanbestedingsprocedure toegewezen.
Concentratietoezicht
Belgische Mededingingsautoriteit keurt overname Cofinimmo door Aedifica goed
Op 21 januari heeft de Belgische Mededingingsautoriteit (“BMA”) de overname van Cofinimmo door Aedifica, twee Belgische vastgoedondernemingen die onder andere actief zijn op de markt voor zorgwoningen, goedgekeurd. De BMA uitte ernstige twijfels over de gevolgen van de voorgenomen overname voor de concurrentiedruk op de markt voor de verhuur van vastgoed voor seniorenhuisvesting aan commerciële zorgoperatoren door een toegenomen marktmacht van Aedifica. Aedifica heeft daarop verbintenissen aangeboden om deze twijfels te remediëren.
Aedifica zal (onder andere) woonzorgcentra desinvesteren voor een totale waarde van € 300 miljoen. De koper van deze woonzorgcentra moet reeds woonzorgcentra in België in zijn portefeuille hebben en zijn zorgvastgoedportefeuille willen uitbreiden, of al over zorgvastgoed beschikken en de Belgische markt willen betreden. In beide gevallen dient de koper duidelijk de capaciteit en de bewezen intentie te hebben om na de verwerving van de gedesinvesteerde woonzorgcentra uit te groeien tot een belangrijke speler op de Belgische markt. Het moet bij de koper dus gaan om een serieuze en bestendige marktpartij. Daarnaast zal Aedifica de komende tien jaar geen controle verwerven over het geheel of een deel van de gedesinvesteerde woonzorgcentra.
Contact
Heeft u vragen over een van de besproken onderwerpen of wilt u weten wat de ontwikkelingen betekenen voor uw organisatie? Neem dan gerust contact op met ons team.
In januari heeft zich het nodige afgespeeld op het gebied van het mededingingsrecht. Deze maand gaan wij onder andere in op het rapport van de ACM over de concurrentiedynamiek op de Nederlandse markt, rechtspraak van het Hof van Justitie over de behandelingstermijn van onderzoeken naar mededingingsinbreuk en ‘hybride’ onderzoeksprocedures, en de goedgekeurde concentratie tussen twee Belgische vastgoedondernemingen die actief zijn op de markt voor zorgwoningen.
Staat van de Markt: concurrentie in Nederland
ACM publiceert nieuw rapport: Staat van de Markt 2026
Volgens de Autoriteit Consument en Markt (“ACM”) wijzen verschillende indicatoren op een afname van de concurrentie in Nederland. Dat blijkt uit het Staat van de Markt 2026 rapport, dat de ontwikkeling van concurrentie over de periode van 2011 tot en met 2023 beschrijft aan de hand van een aantal gangbare indicatoren voor concurrentie die zien op marktconcentratie, -dynamiek en -uitkomsten.
In de betrokken periode is volgens de ACM de marktconcentratie toegenomen, oprichting en uittreding van bedrijven afgenomen, en zijn bedrijven beter in staat geworden hun marges te verhogen. Daarnaast signaleert de ACM problemen in de markten rondom private equity, clouddiensten en de aandachtseconomie. De ACM wil twee nieuwe instrumenten om een gezonde marktwerking te bevorderen: de zogenaamde call-in bevoegdheid en de new competition tool. In het Coalitieakkoord ‘Aan de slag’ van het CDA, de VDD en D66 staat dat de ACM deze instrumenten krijgt. Voor de call-in bevoegdheid is al een wetsvoorstel ingediend in de Tweede Kamer: de Wet inroepbevoegdheid ACM. Voor de new competition tool zal een nieuw wetgevingstraject in gang moeten worden gezet. De new competition tool is een voorgesteld instrument voor de ACM om in te grijpen in markten die structureel niet goed werken, ook zonder dat bedrijven de Mededingingswet overtreden. Het stelt de ACM in staat om, na onderzoek, maatregelen op te leggen aan bedrijven om concurrentieproblemen zoals hoge prijzen, verminderde innovatie of toetredingsbarrières aan te pakken.
Kartels
Hof van Justitie beantwoordt prejudiciële vragen over toelaatbaarheid behandelingstermijn van onderzoek naar mededingingsinbreuk
Op 15 januari 2026 heeft het Hof van Justitie van de EU (“Hof”) prejudiciële vragen beantwoord van de Consiglio di Stato (de hoogste bestuursrechter in Italië) in een geschil tussen Imballaggi Piemontesi Srl (“Imballaggi”) en de Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato (de Italiaanse mededingingsautoriteit, “AGCM”).
Op 22 maart 2017 heeft de AGCM een onderzoek ingeleid naar negentien ondernemingen, waaronder Imballagi, om eventuele inbreuken op artikel 101 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (“VWEU”) vast te stellen wegens deelname aan een vermeend kartel op de markt van golfkartonvellen (“kartonkartel”). Op 5 juli 2017 is dit onderzoek uitgebreid tot drie andere ondernemingen wegens hun deelname aan dat vermeende kartonkartel, alsook tot vier ondernemingen, waaronder Imballaggi, wegens deelname aan een ander vermeend kartel op de markt voor verpakkingen (“verpakkingskartel”). In de daaropvolgende periode is het onderzoek meermaals uitgebreid naar andere ondernemingen, en tweemaal met ongeveer zeven maanden verlengd. Op 17 juli 2019 heeft de AGCM het besluit tot beëindiging van de onderzoeksprocedure vastgesteld en Imballaggi een geldboete van € 6 miljoen opgelegd wegens deelname aan het kartonkartel.
Imballaggi heeft beroep tegen het boetebesluit ingesteld. Dat is verworpen in eerste aanleg, waarna Imballaggi hoger beroep heeft ingesteld. Tegen de uitspraak in dit hoger beroep van 1 maart 2023 heeft Imballaggi bij dezelfde rechter een beroep tot herziening ingesteld. In het kader van dit beroep heeft de Consiglio di Stato prejudiciële vragen gesteld aan het Hof over de verlenging van de behandelingstermijn. De Consiglio di Stato merkt op dat de onderzoeksprocedure ingewikkeld was, doordat zij zag op twee kartels, en dat zowel het aantal ondernemingen als het voorwerp van de procedure zijn uitgebreid. De Consiglio di Stato merkt ook op dat er geen Unie- of nationaalrechtelijke bepaling is die voorziet in een dwingende termijn voor de beëindiging van procedures tot het vaststellen van mededingingsinbreuken. Hij vraagt zich af of de in het besluit tot inleiding van een onderzoek vermelde beëindigingstermijn moet worden geacht bindend te zijn of dat de AGCM deze termijn eenzijdig kan verlengen wanneer zich omstandigheden voordoen die het onderzoek ingewikkelder maken dan oorspronkelijk door deze autoriteit was voorzien, in het licht van artikel 41 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (“Handvest”) en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (“EVRM”).
Het Hof stelt dat nationale regels tot vaststelling van procedurele termijnen voor onderzoeken naar mededingingsbreuken een evenwicht tot stand moeten brengen tussen enerzijds het doel om de rechtszekerheid en de behandeling van zaken binnen een redelijke termijn te waarborgen, en anderzijds de daadwerkelijke en doeltreffende uitvoering van het mededingingsrecht om het openbaar belang te beschermen door te voorkomen dat de werking van de interne markt wordt verstoord door overeenkomsten of praktijken die schadelijk zijn voor de mededinging. Of een nationale termijnregeling dit evenwicht in acht neemt, hangt onder meer af van de duur van de betrokken termijn en alle toepassingsbepalingen ervan. Bovendien vereisen mededingingszaken een complexe feitelijke en economische analyse. Per geval moet, aan de hand van de omstandigheden van het individuele geval, worden beoordeeld wat een redelijke uiterste behandelingstermijn is. Rechtsregels moeten duidelijk, nauwkeurig en voorzienbaar zijn, maar dit verzet zich er volgens het Hof niet tegen dat een termijn wordt verlengd, zolang de verlening behoorlijk is gemotiveerd.
Gerecht doet uitspraak over gebruik gefaseerde ‘hybride’ onderzoeksprocedure door Europese Commissie
Op 21 januari 2026 heeft het Gerecht van het Hof van Justitie van de Europese Unie (“Gerecht”) uitspraak gedaan in de Lantmännen zaak. De Europese Commissie (“Commissie”) had een boete van 47 miljoen euro opgelegd aan de verzoekers voor een inbreuk op artikel 101 van het Verdrag Betreffende de Werking van de Europese Unie (“VWEU”) en artikel 53 van de EER Overeenkomst, wegens het kunstmatig verhogen van de prijs van ethanol in samenwerking met twee andere partijen gedurende de periode waarin de marktprijs werd vastgesteld. Voorafgaand aan deze boete had de Commissie al een schikking bereikt met een van de andere partijen, waardoor er een gespreide ‘hybride’ procedure tot stand kwam.
Lantmännen stelde dat de Commissie haar recht op het vermoeden van onschuld heeft geschonden door met een van de andere partijen te schikken vóór het einde van de gewone procedure en door in dit schikkingsbesluit naar haar te verwijzen. Bovendien zou het gebruik van deze ‘hybride’ procedure de vereiste onpartijdigheid van de Commissie hebben ondermijnd en daarmee haar rechten van verdediging hebben geschonden.
Het Gerecht gaat hier niet in mee. Het Gerecht merkt op dat een ‘hybride’ procedure niet inherent in strijd is met de onschuldpresumptie en dat het schikkingsbesluit geen rechtsgevolgen had voor het besluit in de gewone procedure. Daarnaast hoefde de Commissie niet aan te tonen dat de in de tijd gespreide hybride procedure ‘dwingend’ was, maar enkel dat deze een snellere en efficiëntere afhandeling van de zaak mogelijk maakte. De Commissie is bovendien voldoende voorzichtig geweest bij het opstellen van het schikkingsbesluit om te vermijden dat voortijdig een oordeel zou worden geveld over de aansprakelijkheid van Lantmännen, terwijl de informatie is opgenomen die nodig was voor de beschrijving en kwalificatie van de deelname van de schikkende partij aan het kartel. Tot slot noopte of dwong het feit dat één partij een schikking had bereikt de Commissie niet om haar onpartijdigheid op te geven. Hoewel de verzoeksters betoogden dat de juridische logica van de schikking betekende dat minstens één andere partij aan het kartel moet hebben deelgenomen, wijst het Gerecht dit argument ter onderbouwing van de gestelde vooringenomenheid van de Commissie af. Het Gerecht is van mening dat de vaststelling van het schikkingsbesluit op zich geen rechtsgevolgen heeft voor de besluiten die de Commissie later in het kader van de gewone procedure neemt ten aanzien van een partij die geen schikking heeft getroffen.
Baksteenfabrikanten mogen pallet statiegeldsysteem opzetten
Op 12 januari 2026 heeft de Autoriteit Consument en Markt (“ACM”) na een informele beoordeling geconcludeerd dat het initiatief van zeven baksteenfabrikanten om een statiegeld- en retoursysteem voor pallets op te zetten verenigbaar is met het mededingingsrecht.
De herbruikbare pallets dragen volgens de ACM bij aan de verduurzaming van de sector, omdat de huidige pallets slechts één keer worden gebruikt. Volgens de ACM is het initiatief niet in strijd met de mededingingsregels. Het gaat namelijk om een duurzaamheidsinitiatief dat geen merkbare beperking van de mededinging veroorzaakt. Deelname staat open en is kosteloos, er wordt geen concurrentiegevoelige informatie uitgewisseld en de productie en pooling van pallets wordt elke vijf jaar via een aanbestedingsprocedure toegewezen.
Concentratietoezicht
Belgische Mededingingsautoriteit keurt overname Cofinimmo door Aedifica goed
Op 21 januari heeft de Belgische Mededingingsautoriteit (“BMA”) de overname van Cofinimmo door Aedifica, twee Belgische vastgoedondernemingen die onder andere actief zijn op de markt voor zorgwoningen, goedgekeurd. De BMA uitte ernstige twijfels over de gevolgen van de voorgenomen overname voor de concurrentiedruk op de markt voor de verhuur van vastgoed voor seniorenhuisvesting aan commerciële zorgoperatoren door een toegenomen marktmacht van Aedifica. Aedifica heeft daarop verbintenissen aangeboden om deze twijfels te remediëren.
Aedifica zal (onder andere) woonzorgcentra desinvesteren voor een totale waarde van € 300 miljoen. De koper van deze woonzorgcentra moet reeds woonzorgcentra in België in zijn portefeuille hebben en zijn zorgvastgoedportefeuille willen uitbreiden, of al over zorgvastgoed beschikken en de Belgische markt willen betreden. In beide gevallen dient de koper duidelijk de capaciteit en de bewezen intentie te hebben om na de verwerving van de gedesinvesteerde woonzorgcentra uit te groeien tot een belangrijke speler op de Belgische markt. Het moet bij de koper dus gaan om een serieuze en bestendige marktpartij. Daarnaast zal Aedifica de komende tien jaar geen controle verwerven over het geheel of een deel van de gedesinvesteerde woonzorgcentra.
Contact
Heeft u vragen over een van de besproken onderwerpen of wilt u weten wat de ontwikkelingen betekenen voor uw organisatie? Neem dan gerust contact op met ons team.