Mededingingsupdate januari 2026: uitspraken van het Hof van Justitie over de toepassing van de Bronner-criteria en verticale margin squeeze en meer

 21 januari 2026 | Blog

In december hebben opnieuw een aantal belangrijke ontwikkelingen op het gebied van het mededingingsrecht plaatsgevonden. Deze maand belichten we uitspraken van het Hof van Justitie over de toepassing van de Bronner-criteria en verticale margin squeeze, het misbruik van een machtspositie in verband met vergoedingen van collectieve beheersorganisaties voor auteursrechten en de reactie van de ACM op het kritische advies van de Raad van State over het wetsvoorstel betreffende de Wet inroepbevoegdheid ACM.

Misbruik van machtspositie
Hof van Justitie oordeelt in twee Lukoil zaken over de toepassing van de Bronner-criteria na privatisering en verticale geïntegreerde marge-uitholling

In twee arresten van 18 december 2025 in de zaken C-245/24 en C-260/24 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (“Hof”) prejudiciële vragen beantwoord over het misbruik van machtspositie door toegangsweigering en het misbruik van machtspositie door een marge-uitholling (margin squeeze).

Lukoil Bulgaria en Lukoil Neftohim Burgas (C 245/24) had betrekking op de weigering van toegang door twee dochterondernemingen van de Lukoil-groep tot transport- en opslaginfrastructuur voor andere producenten en importeurs. De Bulgaarse mededingingsautoriteit had dit aangemerkt als misbruik van machtspositie en een inbreuk op artikel 102, onder b, VWEU en had een boete opgelegd aan de dochterondernemingen. Het Hof verduidelijkt allereerst dat de mededingingsautoriteit niet verplicht is vast te stellen dat zowel (i) de categorie handelingen die door die autoriteit als een weigering van toegang tot die essentiële infrastructuur worden aangemerkt als (ii) de categorie handelingen die door haar als een beperking van de handel met betrekking tot die infrastructuur worden aangemerkt, elk afzonderlijk aan alle constitutieve elementen van misbruik van een machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU voldoen, indien kan worden vastgesteld dat alle elementen van misbruik aanwezig zijn in de gehele anti-competitieve strategie van de onderneming. Daarnaast verduidelijkt het Hof de toepassing van de Bronner-doctrine in gevallen waarin de infrastructuur niet door de dominante onderneming zelf is ontwikkeld, maar door overheidsinstanties. Het Hof oordeelde dat de voorwaarden van Bronner ook van toepassing zijn op openbare infrastructuur wanneer deze, in een concurrerende mededingingsprocedure, wordt geprivatiseerd en verworven door de dominante onderneming, of wanneer de dominante onderneming een beslissingsautonomie verkrijgt die haar in staat stelt de toegang tot die infrastructuur volledig te controleren.

In Lukoil Bulgaria (C 260/24) ging het Hof na of de Bulgaarse mededingingsautoriteit de marktdefinitie voor de upstreammarkt in de brandstofvoorziening correct had afgebakend bij het vaststellen van misbruik door marge-uitholling. Het Hof oordeelt dat artikel 102 VWEU inhoudt dat een mededingingsautoriteit bij een marge-uitholling door een verticaal geïntegreerde onderneming twee elementen moet aantonen. Ten eerste, dat de onderneming een dominante positie heeft op de upstreammarkt. Daarbij moet rekening worden gehouden met de marktaandelen van deze onderneming en met andere relevante kenmerken van die markt waaruit kan worden afgeleid dat zij over economische macht beschikt die haar in staat stelt zich in aanzienlijke mate onafhankelijk te gedragen van haar concurrenten, klanten en consumenten. Ten tweede dat de onderneming op de gekoppelde downstreammarkt een prijs hanteert die concurrenten die minstens even efficiënt zijn kan uitsluiten, gelet op de kenmerken van die markt. Voorts stelt het Hof dat, hoewel er mogelijk geen substitueerbaarheid bestaat in de vraag van consumenten naar verschillende soorten brandstof, deze substitueerbaarheid wel kan bestaan aan de aanbodzijde van de markt. De verwijzende rechter zal moeten beoordelen of bijvoorbeeld de bulkopslag voor benzine, diesel en LPG onderling kan worden vervangen om te bepalen of LPG ook deel uitmaakt van de upstream-brandstofmarkt.

Vergoedingen collectieve beheersorganisatie voor gebruik auteursrechten kan misbruik van machtspositie opleveren indien buitensporig hoog

In zaak C-161/24 buigt het Hof van Justitie van de Europese Unie (“Hof”) zich over de vraag of een collectieve beheersorganisatie misbruik maakt van een machtspositie, zoals bedoeld onder artikel 102 onder b VWEU, door auteursrechtelijke vergoedingen in rekening te brengen bij hotels zonder rekening te houden met de daadwerkelijke bezetting van de hotelkamers. In deze zaak ging het om vergoedingen voor het gebruik van auteursrechtelijk beschermde werken via televisie- en radiotoestellen in hotelkamers. De Tsjechische mededingingsautoriteit legde een boete op aan de collectieve beheersorganisatie voor deze vergoedingsmethodiek wegens misbruik van machtspositie.

Het Hof oordeelt dat het in rekening brengen van dergelijke vergoedingen een misbruik van machtspositie kan opleveren indien de vergoedingen buitensporig hoog zijn in verhouding tot de waarde en de omvang van het gebruik van de auteursrechten. De bezettingsgraad van de hotelkamers is daarbij relevant voor de beoordeling van de economische waarde van de licenties en voor de vraag of de vergoedingen billijk zijn. Daarnaast beslist het Hof dat mededingingsautoriteiten geen rechtstreeks nadeel voor consumenten hoeven aan te tonen: het volstaat dat sprake is van een potentiële verstoring van de daadwerkelijke mededinging. Ten slotte oordeelde het Hof dat voor het vereiste van beïnvloeding van de handel tussen lidstaten voldoende is dat de collectieve beheersorganisatie rechten beheert van auteurs uit andere EU-lidstaten.

Concentraties

Commissie keurt Vandemoortele's overname van Délifrance goed

De overname van Délifrance door Vandemoortele is goedgekeurd door de Europese Commissie (“Commissie”). Aanvankelijk had de Commissie zorgen dat deze concentratie de mededinging zou beperken, omdat de onderneming (na de concentratie) aanzienlijke marktaandelen zou verwerven op de markt voor diepgevroren gelamineerde deegproducten en slechts beperkte concurrentiedruk zou ondervinden.

Om die redenen zijn er voorwaarden verbonden aan de concentratie. Délifrance moet twee productielocaties afstoten. Deze structurele verplichtingen lossen de mededingingsproblemen volgens de Commissie op. De (werkelijke) productievolumes van de afgestoten productielocaties zijn voldoende voor een geschikte koper om concurrentiedruk uit te oefenen op de gefuseerde onderneming. Bovendien zal door overdracht van relevante klantcontracten, de koper zich als een sterke concurrent kunnen vestigen op de betrokken markten.

ACM reageert op kritisch advies Raad van State ‘Wet inroepbevoegdheid ACM’

Het wetsvoorstel ‘Wet inroepbevoegdheid ACM’ heeft tot doel de ACM de bevoegdheid te geven om bij specifieke concentraties – die momenteel vanwege de omzetdrempels buiten het concentratietoezicht van de ACM vallen, maar waarbij wel aanleiding is te verwachten dat de mededinging aanzienlijk wordt beperkt – vooraf een toets uit te voeren.

De Raad van State kwam op 1 oktober 2025 tot de conclusie dat de reikwijdte van de nieuw voorgestelde bevoegdheid onvoldoende is gemotiveerd, omdat er slechts wordt verwezen naar drie sectoren waarin concrete problemen zijn geconstateerd. Niet duidelijk is waarom deze aanvullende concentratietoets noodzakelijk zou zijn voor alle sectoren van de economie. Het voorstel houdt bovendien in dat (i) het aantal ondernemingen dat onder het concentratietoezicht valt aanzienlijk wordt uigebreid, (ii) het rechtsonzekerheid kan creëren en (iii) ondernemers vaker voorgenomen concentraties aan de ACM zullen voorleggen.

De ACM geeft echter aan dat de Illumina/Grail uitspraak een vacuüm heeft achtergelaten voor de handhaving van concentraties onder de omzetdrempels, aangezien deze niet langer naar de Europese Commissie kunnen worden verwezen. Hierdoor kunnen overnamestrategieën zoals het zogenaamde “kralen rijgen” of “killer acquisitions” van opkomende ondernemingen niet tijdig worden gecontroleerd.

Volgens de ACM is een generieke bevoegdheid geschikt, omdat de problematiek zich niet tot één sector beperkt en van tevoren niet goed kan worden vastgesteld in welke specifieke sectoren mededingingsproblemen onder de omzetdrempel zullen ontstaan. Bovendien maakt een generieke bevoegdheid het mogelijk dat de ACM adaptief kan inspelen op veranderende marktomstandigheden. Handhaving achteraf is minder doeltreffend, omdat de mededingingsbeperking dan als is opgestreden. Bovendien zou de verhoogde bewijsstandaard effectief optreden tegenwerken en minder zekerheid geven voor de ondernemingen. De voorgestelde inroepbevoegdheid heeft volgens de ACM slechts beperkte gevolgen voor de rechtszekerheid. De manier waarop de ACM concentraties inhoudelijk beoordeelt, verandert door de inroepbevoegdheid niet.

Contact

Heeft u vragen over een van de besproken onderwerpen of wilt u weten wat de ontwikkelingen betekenen voor uw organisatie? Neem dan gerust contact op met ons team

In december hebben opnieuw een aantal belangrijke ontwikkelingen op het gebied van het mededingingsrecht plaatsgevonden. Deze maand belichten we uitspraken van het Hof van Justitie over de toepassing van de Bronner-criteria en verticale margin squeeze, het misbruik van een machtspositie in verband met vergoedingen van collectieve beheersorganisaties voor auteursrechten en de reactie van de ACM op het kritische advies van de Raad van State over het wetsvoorstel betreffende de Wet inroepbevoegdheid ACM.

Misbruik van machtspositie
Hof van Justitie oordeelt in twee Lukoil zaken over de toepassing van de Bronner-criteria na privatisering en verticale geïntegreerde marge-uitholling

In twee arresten van 18 december 2025 in de zaken C-245/24 en C-260/24 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (“Hof”) prejudiciële vragen beantwoord over het misbruik van machtspositie door toegangsweigering en het misbruik van machtspositie door een marge-uitholling (margin squeeze).

Lukoil Bulgaria en Lukoil Neftohim Burgas (C 245/24) had betrekking op de weigering van toegang door twee dochterondernemingen van de Lukoil-groep tot transport- en opslaginfrastructuur voor andere producenten en importeurs. De Bulgaarse mededingingsautoriteit had dit aangemerkt als misbruik van machtspositie en een inbreuk op artikel 102, onder b, VWEU en had een boete opgelegd aan de dochterondernemingen. Het Hof verduidelijkt allereerst dat de mededingingsautoriteit niet verplicht is vast te stellen dat zowel (i) de categorie handelingen die door die autoriteit als een weigering van toegang tot die essentiële infrastructuur worden aangemerkt als (ii) de categorie handelingen die door haar als een beperking van de handel met betrekking tot die infrastructuur worden aangemerkt, elk afzonderlijk aan alle constitutieve elementen van misbruik van een machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU voldoen, indien kan worden vastgesteld dat alle elementen van misbruik aanwezig zijn in de gehele anti-competitieve strategie van de onderneming. Daarnaast verduidelijkt het Hof de toepassing van de Bronner-doctrine in gevallen waarin de infrastructuur niet door de dominante onderneming zelf is ontwikkeld, maar door overheidsinstanties. Het Hof oordeelde dat de voorwaarden van Bronner ook van toepassing zijn op openbare infrastructuur wanneer deze, in een concurrerende mededingingsprocedure, wordt geprivatiseerd en verworven door de dominante onderneming, of wanneer de dominante onderneming een beslissingsautonomie verkrijgt die haar in staat stelt de toegang tot die infrastructuur volledig te controleren.

In Lukoil Bulgaria (C 260/24) ging het Hof na of de Bulgaarse mededingingsautoriteit de marktdefinitie voor de upstreammarkt in de brandstofvoorziening correct had afgebakend bij het vaststellen van misbruik door marge-uitholling. Het Hof oordeelt dat artikel 102 VWEU inhoudt dat een mededingingsautoriteit bij een marge-uitholling door een verticaal geïntegreerde onderneming twee elementen moet aantonen. Ten eerste, dat de onderneming een dominante positie heeft op de upstreammarkt. Daarbij moet rekening worden gehouden met de marktaandelen van deze onderneming en met andere relevante kenmerken van die markt waaruit kan worden afgeleid dat zij over economische macht beschikt die haar in staat stelt zich in aanzienlijke mate onafhankelijk te gedragen van haar concurrenten, klanten en consumenten. Ten tweede dat de onderneming op de gekoppelde downstreammarkt een prijs hanteert die concurrenten die minstens even efficiënt zijn kan uitsluiten, gelet op de kenmerken van die markt. Voorts stelt het Hof dat, hoewel er mogelijk geen substitueerbaarheid bestaat in de vraag van consumenten naar verschillende soorten brandstof, deze substitueerbaarheid wel kan bestaan aan de aanbodzijde van de markt. De verwijzende rechter zal moeten beoordelen of bijvoorbeeld de bulkopslag voor benzine, diesel en LPG onderling kan worden vervangen om te bepalen of LPG ook deel uitmaakt van de upstream-brandstofmarkt.

Vergoedingen collectieve beheersorganisatie voor gebruik auteursrechten kan misbruik van machtspositie opleveren indien buitensporig hoog

In zaak C-161/24 buigt het Hof van Justitie van de Europese Unie (“Hof”) zich over de vraag of een collectieve beheersorganisatie misbruik maakt van een machtspositie, zoals bedoeld onder artikel 102 onder b VWEU, door auteursrechtelijke vergoedingen in rekening te brengen bij hotels zonder rekening te houden met de daadwerkelijke bezetting van de hotelkamers. In deze zaak ging het om vergoedingen voor het gebruik van auteursrechtelijk beschermde werken via televisie- en radiotoestellen in hotelkamers. De Tsjechische mededingingsautoriteit legde een boete op aan de collectieve beheersorganisatie voor deze vergoedingsmethodiek wegens misbruik van machtspositie.

Het Hof oordeelt dat het in rekening brengen van dergelijke vergoedingen een misbruik van machtspositie kan opleveren indien de vergoedingen buitensporig hoog zijn in verhouding tot de waarde en de omvang van het gebruik van de auteursrechten. De bezettingsgraad van de hotelkamers is daarbij relevant voor de beoordeling van de economische waarde van de licenties en voor de vraag of de vergoedingen billijk zijn. Daarnaast beslist het Hof dat mededingingsautoriteiten geen rechtstreeks nadeel voor consumenten hoeven aan te tonen: het volstaat dat sprake is van een potentiële verstoring van de daadwerkelijke mededinging. Ten slotte oordeelde het Hof dat voor het vereiste van beïnvloeding van de handel tussen lidstaten voldoende is dat de collectieve beheersorganisatie rechten beheert van auteurs uit andere EU-lidstaten.

Concentraties

Commissie keurt Vandemoortele's overname van Délifrance goed

De overname van Délifrance door Vandemoortele is goedgekeurd door de Europese Commissie (“Commissie”). Aanvankelijk had de Commissie zorgen dat deze concentratie de mededinging zou beperken, omdat de onderneming (na de concentratie) aanzienlijke marktaandelen zou verwerven op de markt voor diepgevroren gelamineerde deegproducten en slechts beperkte concurrentiedruk zou ondervinden.

Om die redenen zijn er voorwaarden verbonden aan de concentratie. Délifrance moet twee productielocaties afstoten. Deze structurele verplichtingen lossen de mededingingsproblemen volgens de Commissie op. De (werkelijke) productievolumes van de afgestoten productielocaties zijn voldoende voor een geschikte koper om concurrentiedruk uit te oefenen op de gefuseerde onderneming. Bovendien zal door overdracht van relevante klantcontracten, de koper zich als een sterke concurrent kunnen vestigen op de betrokken markten.

ACM reageert op kritisch advies Raad van State ‘Wet inroepbevoegdheid ACM’

Het wetsvoorstel ‘Wet inroepbevoegdheid ACM’ heeft tot doel de ACM de bevoegdheid te geven om bij specifieke concentraties – die momenteel vanwege de omzetdrempels buiten het concentratietoezicht van de ACM vallen, maar waarbij wel aanleiding is te verwachten dat de mededinging aanzienlijk wordt beperkt – vooraf een toets uit te voeren.

De Raad van State kwam op 1 oktober 2025 tot de conclusie dat de reikwijdte van de nieuw voorgestelde bevoegdheid onvoldoende is gemotiveerd, omdat er slechts wordt verwezen naar drie sectoren waarin concrete problemen zijn geconstateerd. Niet duidelijk is waarom deze aanvullende concentratietoets noodzakelijk zou zijn voor alle sectoren van de economie. Het voorstel houdt bovendien in dat (i) het aantal ondernemingen dat onder het concentratietoezicht valt aanzienlijk wordt uigebreid, (ii) het rechtsonzekerheid kan creëren en (iii) ondernemers vaker voorgenomen concentraties aan de ACM zullen voorleggen.

De ACM geeft echter aan dat de Illumina/Grail uitspraak een vacuüm heeft achtergelaten voor de handhaving van concentraties onder de omzetdrempels, aangezien deze niet langer naar de Europese Commissie kunnen worden verwezen. Hierdoor kunnen overnamestrategieën zoals het zogenaamde “kralen rijgen” of “killer acquisitions” van opkomende ondernemingen niet tijdig worden gecontroleerd.

Volgens de ACM is een generieke bevoegdheid geschikt, omdat de problematiek zich niet tot één sector beperkt en van tevoren niet goed kan worden vastgesteld in welke specifieke sectoren mededingingsproblemen onder de omzetdrempel zullen ontstaan. Bovendien maakt een generieke bevoegdheid het mogelijk dat de ACM adaptief kan inspelen op veranderende marktomstandigheden. Handhaving achteraf is minder doeltreffend, omdat de mededingingsbeperking dan als is opgestreden. Bovendien zou de verhoogde bewijsstandaard effectief optreden tegenwerken en minder zekerheid geven voor de ondernemingen. De voorgestelde inroepbevoegdheid heeft volgens de ACM slechts beperkte gevolgen voor de rechtszekerheid. De manier waarop de ACM concentraties inhoudelijk beoordeelt, verandert door de inroepbevoegdheid niet.

Contact

Heeft u vragen over een van de besproken onderwerpen of wilt u weten wat de ontwikkelingen betekenen voor uw organisatie? Neem dan gerust contact op met ons team